Start ] Omhoog ]

Boekbespreking

Commissie Seksueel Misbruik van Jeugdigen: Handelen bij vermoeden van seksueel misbruik van kinderen en jeugdigen

Assen: Van Gorcum\Dekker van de Vegt, 1994s. ISBN 90-232-28928.

Een boek als dit is onmisbaar om signalen van seksueel misbruik van kinderen zo snel en accuraat mogelijk te onderkennen, te voorkomen en te bestrijden. Ik dat het die taak ook best wel gedeeltelijk zal kunnen vervullen. Vooral voor gevallen van seksueel contact tussen volwassenen en kinderen waarbij dwang en zelfs lichamelijk letsel een rol spelen, zijn de hierin beschreven richtlijnen waarschijnlijk wel voldoende. 

Anders is het echter gesteld met het aanbrengen van een onderscheid tussen positieve erotische contacten tussen volwassenen en minderjarigen enerzijds, en misbruik anderzijds. Sterker nog, dit onderscheid wordt zelfs geheel afgewezen door de leden van de commissie. De volgende passage maakt dit duidelijk (blz. 16): 

"Onderzoek bij (vermoed) seksueel misbruik van kinderen wordt gelegitimeerd door de feitelijke dan wel potentiële schade daarvan voor het kind. Ook al wordt wel eens gedacht dat seksuele handelingen met kinderen niet altijd tot schade leiden, meestal is dat wel het geval." 

Nu heb ik de commissie zelf gevraagd dit te onderbouwen met referenties. Ik heb hierop de volgende veelzeggende reactie van Frits Wafelbakker gekregen: 

"Mij zijn geen studies bekend die het voorgaande kunnen onderbouwen. Enige informatie geeft het befaamde onderzoeker van Nel Draijer (1990) onder 1054 vrouwen van 20-40 jaar." 

Met andere woorden, de term "meestal" wordt slechts gelegitimeerd door één specifieke onderzoek, en dat zelfs niet eens binnen de handleiding zelf. 

De tekst van het boek vervolgt: 

"Seksuele omgang met kinderen wordt wel gerationaliseerd door te stellen dat seks juist goed voor hen kan zijn: 

  • 'Het kind heeft ook recht op de seksuele component in de omgang' en 
  • 'Juist het onderzoek naar geseksualiseerde omgang brengt psychische schade toe aan het kind.'

Hier staat tegenover dat de volwassene noch het kind de mogelijke schadelijke gevolgen op langere termijn kunnen overzien, ook wanneer er geen sprake is van fysieke mishandeling of dwang."

Naast het opnieuw ontbreken van literatuurverwijzingen om deze boude uitspraken te onderbouwen, valt hierbij op dat de"mogelijke schadelijke gevolgen" van vrijwillige erotische contacten niet nader invoelbaar worden gemaakt. Een volgende uitspraak luidt dan ook (blz. 21): 

"Als het kind uitnodigt tot geseksualiseerde omgang en de volwassene gaat daar op in, is er sprake van seksueel misbruik."

Een toelichting van Wafelbakker, na een vraag van mij hierover: 

"Onvoorziene schadelijke gevolgen van 'subjectief gewenste erotische relaties met volwassenen' kunnen zijn dat het opgegroeide kind, terugblikkend op eigen ervaringen deze als minder positief beleeft dan op het actuele moment." 

Met andere woorden (zo vat ik het althans op): aangezien er een taboe bestaat in deze maatschappij op erotisch intergenerationeel contact met minderjarigen, kunnen de kinderen later als volwassenen dit taboe overnemen, en daardoor retrospectief moeite krijgen met de positieve ervaringen. 

In plaats van het taboe te bestrijden, moeten we daarom datgene wat door het taboe onmogelijk wordt gemaakt blijven bestrijden. De logica van het conservatieve (en reactionaire) denken. Vervolg de minderheid, het afwijkende, omdat het aanstoot zou geven om dat niet te doen. 

Er ademt een nare sfeer uit dit boek, doordat relaties niet beoordeeld worden vrijwilligheid en positiviteit, maar louter op het al dan niet optreden van seksueel of erotisch contact. Als een kind of jongere niet bereid is om belastende informatie te verschaffen over seksueel misbruik in de bovengenoemde definitie, spreekt men in dit boek slechts van 'loyaliteit jegens de pleger'. Dat de seksuele of erotische aspecten van een vrijwillige relatie direct samenhangen met de aard van die relatie als geheel wordt zo volledig verdonkeremaand. 

Symbiotische afhankelijkheid van een egocentrische agressor en een liefdevolle, wederzijdse empathische band op basis van gelijkwaardigheid en respecten worden zo op een hoop gegooid. Natuurlijk is geen enkele vriendschap of relatie helemaal perfect, maar een basisonderscheid tussen vrijwillig en onvrijwillig is m.i. altijd wel te maken. 

Dit is dan ook een gevaarlijk boek in de handen van mensen die geen intrinsiek basisonderscheid wensen aan te brengen tussen positief en negatief, maar alleen tussen seksueel=belastend en niet-seksueel=onschuldig. Cynisch vind ik het daarbij dat de samenstellers zelf pleiten voor het voorkomen van een heksenjachtsfeer (blz. 96). 

Het wordt volgens mij de hoogste tijd dat er alternatieve 'richtlijnen voor beroepsbeoefenaren' komen die wel een veilig onderscheid maken tussen vrijwillige en onvrijwillige relaties, zodat het koren niet langer met het kaf verbrand hoeft te worden. 

Droevig, maar misschien ook hoopgevend is een uitspraak in dit verband van commissielid Frits Wafelbakker in een brief aan mij (als recensent) uit 1995: 

"Ik kan me voorstellen dat het verbreken van een door het kind zelf gewenste relatie traumatiserender is dan het voortzetten van die relatie."

drs. T. Rivas 

Start ] Omhoog ]