Vorige ] Omhoog ] Volgende ]

~   [Home]    ~

NEGEREN VAN NIET-GEWENSTE FEITEN

[Blz. 240]

Veel deskundigen zijn van mening dat men het kind zonder meer moet geloven wanneer het zegt dat het is misbruikt.

Yuille [*1] wijst erop dat men tegenwoordig zoveel geloof hecht aan de verhalen van het kind met betrekking tot misbruik dat, wanneer het kind tijdens zijn spel seksuele symbolen gebruikt, dit voor de maatschappelijk werker vaak al voldoende reden is om het uit huis te plaatsen.

Wanneer de ondervrager ervan uitgaat dat misbruik inderdaad heeft plaatsgehad zal hij het als zijn taak zien het bewijs ervoor te vinden, opdat passende maatregelen kunnen worden genomen om het kind te beschermen en de dader te straffen.

Raskin en Yuille stellen dat

"het inmiddels de gewoonste zaak van de wereld is dat de ondervrager vanuit gaat dat de geuite beweringen waar zijn en dat de ondervraging zich richt op het verkrijgen van die informatie die de aanvankelijke conclusie bevestigt. " [*2]

Een volwassene die gelooft dat de beschuldiging van seksueel misbruik waar is, zal vervolgens het kind zodanig ondervragen dat aan die beschuldiging verder gestalte wordt gegeven. Pogingen om verklaringen van seksueel misbruik los te krijgen kunnen dan resulteren in het uitoefenen van een ongelooflijke druk en dwang op het kind.

DeLipsey en James merken bij hun analyse van op band opgenomen ondervragingen op dat

[Blz. 241]

"... het meest beangstigende probleem wordt gevormd door het gebruik van suggestieve vragen en dwang, door middel waarvan men bij het kind bepaalde bevestigende informatie ontlokt." [*3]

Jarenlang sociaal-psychologisch onderzoek laat zien welk gedrag van de volwassene het kind beïnvloedt

(zie Wakefield & Underwager, 1988, voor een samenvatting [*4]).

Dit feit plus de aangetoonde beïnvloedbaarheid van kinderen wil men niet altijd onder ogen zien, maar noopt wel tot behoedzaamheid en kan leiden tot weerlegging van verklaringen van seksueel misbruik van kinderen. Maar wat gebeurt er als de wetenschappelijke bevindingen haaks staan op gekoesterde overtuigingen?  

Volgens Skinner [*5] is

"Wetenschap de bereidheid feiten te accepteren, zelfs wanneer zij tegen onze wensen ingaan."

Vrijwel niemand zal beweren dat men feiten doelbewust moet negeren. Wetenschappers zijn het erover eens dat een goede theorie daarin bestaat dat deze getoetst en gefalsifieerd kan worden. Wanneer een theorie of concept wordt gefalsifieerd mag men verwachten dat een aantal opvattingen en overtuigingen overeenkomstig de feiten wordt gewijzigd.  

Een flink aantal onderzoekers echter laat zien wat er in de praktijk gebeurt wanneer gevestigde meningen door wetenschappelijk bewijs worden ondergraven [*6]. De mens wordt nu eenmaal niet graag geconfronteerd met dat wat tegen zijn vaste overtuigingen of wensen ingaat. Een goed voorbeeld van dit verschijnsel is het gegeven dat miljoenen mensen blijven roken terwijl cijfers overduidelijk aantonen dat men van roken kan doodgaan.

Wat betekenen nu deze uit de sociaal-psychologie bekende feiten? Vrijwel iedere inleiding tot de psychologie behandelt de verschillende terreinen van deze wetenschap. Een breed scala van theoretische studies en onderzoeksliteratuur vormt daarbij de basis. Iedere psycholoog dient deze basis-principes te kennen. Door ze te betwisten of te ontkennen doet men afbreuk aan de grote hoeveelheid feitenmateriaal die door de psychologische wetenschap is verzameld.  

Onderzoek naar het effect van verwachtingspatronen en de vooroordelen van de onderzoeker toont aan dat de verwachtingen ten aanzien van de uitkomst van een experiment van invloed kunnen zijn op die uitkomst zelf. Wanneer de ondervrager bevooroordeeld is, neigt hij bij het samenvatten, analyseren en interpreteren van gegevens ongetwijfeld in de richting van zijn eigen verwachtingen. Bovendien beïnvloeden zijn eigen houding en verwachtingspatroon het feitelijke gedrag van de ondervraagde.

Bij de ondervraging kan het vooroordeel van de ondervrager invloed hebben op zowel de keuze van de vast te leggen informatie als op de feitelijke inhoud daarvan. De ondervraagde stemt zijn reacties af op de verwachtingen die de ondervrager, verbaal en non-verbaal, overbrengt.

Volgens Garbarino en Scott [*7] beïnvloedt de ondervrager door zijn eigen overtuiging, ook al is die niet empirisch onderbouwd, het kind in wat het vertelt. Wanneer de ondervrager gelooft dat alle of de meeste beweringen van misbruik op waarheid berusten, produceert hij gegevens die het misbruik bevestigen. 

Onderzoek op het gebied van aanpassend en conformerend gedrag toont aan hoezeer de instemming van de ander op dat gedrag van invloed is.

[Blz. 242]

Tijdens de ondervraging is voor het kind altijd de druk aanwezig om zich aan te passen aan het bij de volwassene waargenomen verwachtingspatroon. Deze beïnvloeding kan alleen worden vermeden wanneer de ondervrager zich hiervan bewust is en eventuele signalen die de reactie van het kind kunnen beïnvloeden, zo veel mogelijk achterwege laat.  

De psychologische theorie beschrijft hoe gedrag wordt bepaald door de eruit voortspruitende gevolgen. Volgens bepaalde opvoedingsmethoden is de beste manier om veranderingen in het gedrag van het kind teweeg te brengen via een schouderklopje, aandacht, een complimentje of andere vormen van stimulering. Een kind is gevoelig voor de goedkeuring die het van de volwassene ontvangt en heeft snel door wat het moet doen om die goedkeuring te krijgen. Een glimlach, een knikje, iets goedkeurends in de stem of een opmerking als "En wat nog meer?" conditioneert het kind. Wanneer de ondervrager zich van dit soort processen niet bewust is, bekrachtigt hij onbedoeld de reacties van het kind en versterkt daarmee zijn bestaande vooroordeel.  

In veel gevallen is deze bekrachtiging overduidelijk. Men kan bij voorbeeld tegen een kind zeggen dat het flink is en dat mamma "heel trots op je zal zijn wanneer je dat griezelige geheimpje vertelt" of een snoepje beloven wanneer het over het misbruik vertelt.

Slicner en Hanson [*8] beschrijven ondervragingen waarin kinderen snoep, eten, drinken en speelgoed wordt beloofd of gegeven. In een geval geeft een ondervrager een kind gedurende de ondervraging zelfs vijf lollies terwijl het meisje er al een in haar mond heeft.
 In een ander door Slicner en Hanson beschreven geval nemen vijf volwassenen een kind tweeënhalf uur lang onder vuur. Uitgeput na deze ondervraging wordt haar beloofd dat als zij meewerkt, zij mee mag naar McDonalds.

DeLipsey en James [*9] stuitten in hun analyse van op videoband opgenomen ondervragingen op nogal wat gevallen van omkoperij en dwang. Volgens hen wordt aan kinderen die onvoldoende meewerken veelvuldig snoep of eten aangeboden of wordt hun verboden tussendoor naar het toilet te gaan.  

Het wegnemen van een aversieve prikkel heeft een soortgelijke uitwerking. Wanneer een volwassene stopt met het herhaaldelijk stellen van dezelfde vraag nadat het kind het gewenste antwoord heeft gegeven, betekent dit bekrachtiging van een specifieke reactie. Dit kan ertoe leiden dat het kind een antwoord geeft om de goedkeuring van de ondervrager te krijgen.

Volgens Slicner en Hanson

"bekrachtigt men met het in het vooruitzicht stellen van het eind van een lang en kwellend ondervragingsgesprek of het in ruil voor een bekentenis beloven van snoep of eten in hoge mate de reactie van het kind." [*10]

Wanneer deze bekrachtiging niet duidelijk waarneembaar is, dient men zich toch te blijven realiseren dat dit verschijnsel een potentiële factor kan vormen bij het produceren van een bekentenis. Onderzoek van psychotherapeutische processen laat zien dat subtiel verbaal en non-verbaal gedrag van de therapeut er in hoge mate toe leidt dat de ondervraagde zich conformeert aan de waarden en opvattingen van de therapeut [*11]. Hetzelfde proces vindt plaats in de interactie tussen ondervrager en kind en dient als zodanig te worden onderkend.

Vorige ] Omhoog ] Volgende ]