EVALUATIE VAN HET PROJECT PREVENTIE SEKSUELE KINDERMISHANDELING
JAMES
J. KRlVACSKA
Hoofdstuk
8 van
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Kennis (max. 24 p.) |
Situaties (max. 36 p.) |
||
Gemiddeld aantal goed |
Percentage v.h. totaal |
Gemiddeld aantal goed |
Percentage v.h. totaal |
|
Jongens |
10.3 |
43 % |
16.6 |
46 % |
Meisjes |
12.65 |
53 % |
18.0 |
50 % |
Totaal |
11.48 |
48 % |
17.3 |
48 % |
Deze resultaten. geven aan dat, of het nu aan de wijze van presenteren of aan de mate van voorkennis bij de kinderen lag, zij rond 50% of minder van de begrippen kenden.
Een nadere analyse van de antwoorden wees uit dat de leerlingen zich
niet herinnerden dat ze iemand moesten inlichten over de gevaarlijke situatie
waarin ze hadden verkeerd, dat ze zich de drie in het CAPP geformuleerde rechten
(veilig, sterk en vrij) niet herinnerden en dat ze er nog steeds toe neigden te
antwoorden dat een kind alles moet doen wat een volwassene hem zegt.
De
resultaten bij de andere test stemden sterk overeen met die van de kennistest:
gemiddeld behaalden de kinderen vijftig procent of minder van het totaal aantal
te behalen punten. Ook hier bleek dat de kinderen er vaak niet aan dachten
iemand van het gebeurde op de hoogte te stellen.
Wat betreft hun vermogen om veilige en onveilige situaties van elkaar te onderscheiden bleek dat deze kinderen vaak veilige situaties als onveilig karakteriseerden. Daarbij beoordeelde 90% van de jongens en 70% van de meisjes ten minste eenmaal een veilige situatie niet als zodanig, terwijl 45% van alle kinderen zelfs de drie veilige situaties A, B en D als onveilig aanmerkten.
Vanzelfsprekend drukte dit de score van deze test sterk. Hierbij moet worden aangetekend dat dit resultaat niet onverwacht is. Om deze test te kunnen maken moet het kind beschikken over een veelheid van cognitieve vaardigheden die bij zevenjarigen vaak nog weinig ontwikkeld zijn, zoals het vermogen om in de juiste mate te kunnen generaliseren, onderscheid te maken en te categoriseren. Op deze leeftijd zijn kinderen doorgaans weinig in staat tot abstract denken en neigen ze ertoe situaties zwart-wit te bezien. Daar ze het vermogen missen om fijne nuances te maken, hebben ze de neiging te veel te generaliseren. Voor kinderen van zeven zijn regels absoluut geldig [*16].
De twee situaties die het meest
frequent als onveilig werden gekarakteriseerd waren die stoei-scène en de
zoenende oom. Ten slotte beschouwde 5% van de leerlingen een of meer van de
onveilige situaties ten onrechte als veilig.
De test waarmee getracht werd de emotionele respons na te gaan wees uit dat 20 % van de jongens en 30% van de meisjes na de voorstelling van het CAPP-programma zeiden dat ze angstiger waren geworden. Voorts was na de voorstelling
geen enkele jongen bang dat hem iets ergs zou overkomen,
terwijl 40 procent van de meisjes dat wel was.
Situatieschets nummer
7 [#G.], waarin een moeder haar kind een
pak slaag gaf werd door 10% van de kinderen als misbruik of anderszins
misplaatst gedrag aangemerkt.
Al met al zijn deze uitkomsten in overeenstemming met hetgeen in de literatuur pleegt te worden gesteld, namelijk dat het moeilijk is kinderen op deze leeftijd de begrippen bij te brengen met betrekking tot de preventie van seksueel misbruik.
Kenmerkend voor deze leeftijdsgroep is dat informatie moeilijk wordt
onthouden of in de juiste mate gegeneraliseerd. Er is meer tijd nodig om deze
kinderen de begrippen in zich op te doen nemen, er met hen over te spreken en de
begrippen te integreren in hun doen en laten dan bij oudere kinderen het geval
is. Ze hebben in hun leven ook minder ervaring opgedaan waaruit ze kunnen
putten, wat hen zou helpen om het geleerde in een bepaalde context te plaatsen.
Dit zou een van de voornaamste oorzaken kunnen zijn van de toegenomen angst
waarvan bij sommige kinderen naar ze zelf zeiden sprake was.
De
leerlingen van de derde klasse behaalden gemiddeld de volgende scores bij de
kennis- en situatieschetsentest, die zowel voor als na de voorstelling werden
afgenomen.
[Blz. 310]
Kennis (max. 24 p.) |
|||||
|
|
Voor de test |
Na de test |
Sign. verschil |
||
Gemiddeld aantal goed |
Percentage v.h. totaal |
Gemiddeld aantal goed |
Percentage v.h. totaal |
||
Jongens |
12.25 |
51 % |
14.25 |
59 % |
0.05 |
Meisjes |
10.55 |
49 % |
14.2 |
59 % |
0.05 |
Totaal |
11.40 |
47.5 % |
14.23 |
59 % |
0.05 |
Situaties (max. 36 p.) |
|||||
|
|
Voor de test |
Na de test |
Sign. verschil |
||
Gemiddeld aantal goed |
Percentage v.h. totaal |
Gemiddeld aantal goed |
Percentage v.h. totaal |
||
Jongens |
26.3 |
73 % |
25.8 |
72 % |
niet |
Meisjes |
24.4 |
68 % |
25.1 |
70 % |
niet |
Totaal |
25.35 |
70 % |
25.45 |
71 % |
niet |
Een
beoordeling van de resultaten laat zien dat zich zowel bij jongens als meisjes
een significante kennisvermeerdering voordeed. De grootste winst werd
veroorzaakt doordat de kinderen er na de voorstelling significant vaker aan
dachten iemand van de gevaarlijke gebeurtenis op de hoogte te stellen dan ze
daarvoor hadden gedaan. Veel leerlingen konden zich niet de drie rechten
(veilig, sterk en vrij) herinneren en waren niet in staat aan te geven wanneer
er wel en niet van klikken sprake was (de meesten dachten zowel voor als na de
voorstelling dat er in beide genoemde voorbeelden niet van klikken sprake was).
Er viel echter geen significante toename van het vermogen om misbruik te voorkomen waar te nemen. Dat zou twee oorzaken kunnen hebben.
Ten eerste waren de
resultaten die voorafgaand aan de voorstelling werden behaald al vrij hoog. De
kinderen waren tamelijk bedreven in het maken van onderscheid tussen veilige en
onveilige situaties en in het bepalen van de juiste handelwijze (veelal
zelfverdediging, zoals verzet of wegrennen). Er was daardoor niet veel ruimte
meer voor een verdere stijging van hun vaardigheden.
[Blz. 311]
De tweede oorzaak van de geringe verbetering blijkt verband te houden met de kwestie van het op de hoogte stellen van derden. In aanvulling op het scoren van punten voor het aantal juist beantwoorde vragen werden de antwoorden ook beoordeeld voor de mate waarin de kinderen voor hun veiligheid zorgden. Dat omvatte mede de vraag of een derde van de gevaarlijke gebeurtenis op de hoogte werd gesteld. De verkregen resultaten laten in dit opzicht geen significante verbetering zien.
Dit betekent dat het programma er niet toe leidde dat de
leerlingen meer dan voorheen een andere volwassene inlichtten over het gebeurde.
Dat niettegenstaande het feit dat ze bij de kennistest juist wel significant
vaker aangaven dat ze dat moesten doen. Kennelijk zijn de leerlingen wel in
staat overgedragen kennis te reproduceren, maar wil dat nog niet zeggen dat ze
in staat zijn deze kennis in de praktijk op de juiste manier toe te passen.
Meisjes toonden zich na de voorstelling beter in staat onderscheid te maken tussen veilige en onveilige situatie.
Bij de jongens viel geen verandering te bespeuren en
noch bij jongens, noch bij meisjes viel een significante verandering waar te nemen van het aantal onjuiste classificaties van veilige situaties als onveilig.
Alles bij elkaar maakte
35% van de kinderen voor de voorstelling ten minste een maal zo'n beoordelingsfout en
30% deed dat na de voorstelling (een
niet-significant verschil).
De emotie-test liet geen significante verandering door het programma zien.
10% van de meisjes en geen van de jongens waren na de voorstelling banger geworden voor pesten, ontvoering of ongepaste intimiteiten.
10% van de jongens en 20% van de
meisjes waren na de voorstelling bezorgd dat hun iets ergs zou overkomen.
Samengevat laten deze resultaten een significante verbetering van de kennis van de leerlingen zien, zonder dat zij echter in staat blijken de verworven kennis in de praktijk toe te passen.
Dit was deels toe te schrijven aan het feit dat reeds
voor de test het kennisniveau goed op peil was. Hieraan moet worden toegevoegd
dat, ondanks de significante kennisvermeerdering, toch het gemiddelde aantal
goede antwoorden nauwelijks boven de 50% uitkwam. Dit wijst erop dat er
belangrijke hiaten in de kennis van de bij het CAPP gehanteerde begrippen
bestaan, in het bijzonder waar het betrof de drie rechten van kinderen en het
beoordelen of er wel of niet van klikken sprake was.
De
resultaten van de zesdeklassers bij de kennistest en de situatieschetsen-test,
voor en na de voorstelling, waren als volgt.
[Blz. 312]
Kennis (max. 24 p.) |
|||||
|
|
Voor de test |
Na de test |
Sign. verschil |
||
Gemiddeld aantal goed |
Percentage v.h. totaal |
Gemiddeld aantal goed |
Percentage v.h. totaal |
||
Jongens |
12.92 |
54 % |
16.10 |
67 % |
0.05 |
Meisjes |
13.45 |
56 % |
16.75 |
70 % |
0.05 |
Totaal |
13.18 |
55 % |
16.42 |
68 % |
0.05 |
Situaties (max. 36 p.) |
|||||
|
|
Voor de test |
Na de test |
Sign. verschil |
||
Gemiddeld aantal goed |
Percentage v.h. totaal |
Gemiddeld aantal goed |
Percentage v.h. totaal |
||
Jongens |
25.6 |
71 % |
25.14 |
70 % |
niet |
Meisjes |
26.4 |
73 % |
25.59 |
71 % |
niet |
Totaal |
26.0 |
72 % |
25.36 |
70 % |
niet |
Analyse van de resultaten voor en na de voorstelling liet een significante verhoging van het kennisniveau bij zowel jongens als meisjes zien. Het grootste gedeelte daarvan betrof het vaker noemen van de noodzaak een derde over de gebeurtenis in te lichten, alsmede het vaker kunnen noemen van de drie rechten: veilig, sterk en vrij zijn. De leerlingen waren er ook beter in, "iemand hun verhaal te vertellen totdat er geloof aan wordt gehecht."
Zowel voor als na de
voorstelling gaf een ruime meerderheid van de leerlingen aan dat ze niet alles
behoeven te doen wat hun door een volwassene wordt opgedragen. Evenals in de
andere klassen waren de leerlingen veelal niet in staat de vragen met betrekking
tot klikken goed te beantwoorden (de meesten dachten dat er in geen van beide
gevallen van klikken sprake was).
[Blz. 313]
Er
werd geen significante toename waargenomen van het vermogen om gevaar tegen te
gaan. Net als bij de derdeklassers kwam dit deels doordat de resultaten
voorafgaand aan de test reeds hoog waren. De voorstelling leidde er niet toe dat
de kinderen op een groter aantal methoden konden komen om een situatie het hoofd
te bieden. Het cruciale inlichten van een derde werd na de voorstelling niet
significant vaker genoemd dan daarvoor, hetgeen erop wijst dat de hieromtrent
verworven kennis niet werd vertaald in concrete handelingen bij de
situatieschetsen-test.
Het vermogen om onderscheid te maken tussen veilige en niet-veilige situaties verschilde na de voorstelling aanzienlijk van daarvoor.
De
jongens waren bij de
na-test significant meer geneigd om veilige situaties als onveilig te beschouwen
(voor de voorstelling maakte 35% van de jongens die fout; erna 49%). Ook waren
ze minder geneigd een onveilige situatie ten onrechte voor veilig te houden (een
verschuiving van 16% naar 5%). Al met al wijst dit op een verschuiving naar
grotere behoedzaamheid bij de jongens.
Ook
de meisjes vertoonden na de voorstelling significant vaker de neiging om een
veilige situatie als onveilig te bestempelen (van 41% naar 47%). Anders dan de
jongens waren ze echter niet significant minder geneigd om een onveilige
situatie ten onrechte als veilig aan te merken (verschuiving van 17% naar 8%).
De foute beoordeling van een veilige situatie als onveilig deed zich het vaakst
voor bij de stoeipartij en de zoenende oom. Het beoordelen van een onveilige
situatie als veilig betrof het vaakst de man in de auto die de weg vroeg.
De emotie-test toonde niet aan dat de leerlingen na de voorstelling in sterkere mate geloofden dat ze zouden worden gepest, op een ongepaste manier worden aangeraakt of ontvoerd. De meisjes waren echter meer geneigd, het pak slaag van de moeder in de laatste situatieschets te beschouwen als mishandeling of als misplaatst gedrag (een stijging van 7% naar 14%).
Van alle kinderen gaf 8% aan
dat ze banger waren geworden en 14% gaf aan dat ze zich na het programma zorgen
hadden gemaakt dat hun iets ergs zou kunnen overkomen.
Samengevat
bleek dat de zesdeklassers van het begin af aan wantrouwiger en voorzichtiger
waren dan de jongere kinderen en dat hun wantrouwen en voorzichtigheid nog
toenamen nadat ze de voorstelling hadden gezien. Evenals dat bij de
derdeklassers het geval was nam hun kennis van zaken significant toe, zonder dat
er een belangrijk verschil viel waar te nemen in hun vermogen om die kennis in
het leven van alledag toe te passen.
De antwoorden die de leerlingen gaven op de in het kader van de CAPP-evaluatie gestelde vragen laten een belangwekkend patroon zien.
Aan de ene kant toonden de leerlingen in zowel de derde als de zesde klasse een significante toename in de mate waarin ze zich de sleutelbegrippen van het CAPP eigen maakten.
Tegelijkertijd echter waren beide klassen niet in staat om van deze toename van
kennis gebruik te maken bij de situatieschetsen-test, waar zij met
praktijkvoorbeelden werden geconfronteerd en hun werd gevraagd wat ze daarvan
zouden denken en hoe ze zouden reageren.
[Blz. 314]
Deze
uitkomsten zijn in overeenstemming met die van andere evaluaties van
preventieprogramma's met betrekking tot seksueel misbruik van kinderen. Zowel de
hoge mate van voorkennis als de problemen bij het vertalen van het geleerde naar
het handelen in de praktijk worden in de literatuur vermeld [*17].
De
resultaten wijzen voorts uit dat naarmate de leerlingen ouder zijn, hun kennis
van zaken zowel voor als na de voorstelling toeneemt. Dit geeft aan dat de mate
van nieuwe kennis die kinderen in één zitting kunnen opdoen beperkt is, een
bevinding die strookt met de uitkomsten van opvoedkundig onderzoek en de
resultaten die zijn verkregen bij ander onderzoek naar de preventie van
kindermishandeling.
Merkwaardig is dat bij de meisjes uit de eerste en zesde klasse zich de grootste toename van angst en bezorgdheid voordeed. Bovendien merkten de eersteklassers het vaakst veilige situaties als onveilig aan, gevolgd door de zesdeklassers. Bij de derdeklassers trad deze beoordelingsfout minder vaak op.
Een analyse van dit
responspatroon, gevoegd bij gegevens uit de ontwikkelingspsychologie, doet
veronderstellen dat de bepalende factoren verschillen naarmate het de eerste dan
wel de zesde klasse betreft.
Voor de eersteklassers geldt dat de cognitieve vaardigheden generalisatie, onderscheid maken en categorisatie nog niet sterk ontwikkeld zijn. Deze kinderen hebben behoefte aan duidelijke en expliciete regels voor het categoriseren van voorwerpen, gedragswijzen en gebeurtenissen. Echter, zelfs dan zal hun vermogen om de regels in nieuwe situaties op de juiste wijze toe te passen beperkt zijn. Ze hebben bovendien minder levenservaring opgedaan die hen kan helpen het geleerde in een bepaalde context te plaatsen.
Dientengevolge levert het in zich opnemen van het geleerde en het integreren daarvan in hun doen en laten hun problemen op. Hun categorisatie is ongenuanceerd; ze zijn gewend te werken met dichotomieën: zwart/wit, goed/fout enzovoort, een wijze van categoriseren die zich doorgaans richt op de meest saillante aspecten van de gebeurtenis, het voorwerp of het gedragspatroon dat ze in een categorie moeten onderbrengen.
Dit
leidt tot het overmatige generaliseren dat in leersituaties aan zevenjarigen
eigen is. Voor hen komt leren neer op een reeks van opeenvolgende benaderingen
van het gewenste gedrag, waarbij de tolerantiegrenzen steeds nauwer worden
getrokken. Hierdoor wordt hun vermogen tot categoriseren langzaam en met veel
moeite vergroot. De resultaten van de eersteklassers zijn daarom waarschijnlijk
toe te schrijven aan de wijze van kennisopneming van die leeftijdsgroep en hun
cognitieve beperkingen.
Zesdeklassers daarentegen zijn in dit opzicht veel vaardiger. Ze zijn gewend aan het maken van categorisaties en hebben dit dan ook in hun hele vakkenpakket moeten doen
(of het nu gaat om het onderscheid tussen bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden of tussen gewervelde en ongewervelde dieren).
[Blz. 315]
Wanneer er duidelijke en expliciete regels zijn voor het classificeren dan zijn, ze in staat tot deze regels ook in nieuwe situaties juist toe te passen en zich een goed oordeel te vonden.
Waarom dan bleken ze er vaak niet aan te denken, derden in te lichten, beschouwden ze vaak veilige situaties als onveilig en beschouwden ze een betrekkelijk gebruikelijk opvoedkundige maatregel als ongepast of als mishandeling?
Diverse
factoren zouden in onderlinge wisselwerking tot deze uitkomst geleid kunnen
hebben.
Kinderen in deze leeftijdsgroep zijn tegenwoordig zelfstandiger dan, althans in de twintigste eeuw, ooit het geval was. Ze worden sneller volwassen en er worden hun op jongere leeftijd verantwoordelijkheden toegeschoven. Ze stellen het ook op prijs, onafhankelijk te zijn en voor zichzelf te kunnen zorgen.
Daardoor
zouden kinderen van deze leeftijd in situaties die niet ondubbelzinnig onveilig
voor hen zijn er minder toe geneigd kunnen zijn, volwassenen erbij te roepen en
er in plaats daarvan de voorkeur aan geven de zaak zelf af te handelen. Het zou
interessant zijn (en een goede vraag voor een toekomstige evaluatie) om een
situatieschets toe te voegen waar het kind in onmiskenbaar gevaar verkeert (bij
voorbeeld werkelijk gepakt is) om te zien of er in zulke gevallen een grotere
neiging bestaat om een andere volwassene in te schakelen.
Vier van de 29 meisjes uit de zesde klasse beschouwden het pak slaag dat de moeder haar kind in de laatste situatieschets gaf als mishandeling of misplaatst gedrag. Twee van hen vonden dat ook voor de voorstelling, dus kennelijk heeft het rollenspel de mening van twee meisjes doen veranderen [*18].
Hoewel dit een
statistisch significante stijging is, is het moeilijk na te gaan welke betekenis
hieraan moet worden toegekend. Op dit moment kan men niet veel meer zeggen dan
dat het potentiële effect van het CAPP op de wijze waarop slaan en soortgelijke
opvoedingsmaatregelen door de kinderen worden beoordeeld nader moet worden
onderzocht.
De laatste kwestie, te weten de toegenomen onjuiste beoordelingen van veilige situaties als onveilig is een punt van grote zorg. Dit resultaat zou veeleer het gevolg kunnen zijn van de maatschappelijke associaties die door de boodschap van het CAPP worden opgeroepen.
Om te beginnen was voorafgaand aan de voorstelling
het aantal beoordelingsfouten al hoog. Dit lijkt in overeenstemming
Er valt te beluisteren dat deze kinderen in toenemende mate angst wordt ingeboezemd over kwesties die landelijk in de belangstelling staan: echtscheiding, kernoorlog, drugs enzovoort. Gegeven de grotere aandacht die de media geven aan kindermishandeling en -ontvoering
(uiteenlopend van het televisienieuws tot de foto's van kinderen op pakken melk en cornflakes),
hoeft het niet te verbazen
dat kinderen hierdoor overgevoelig worden en overmatig voorzichtig worden. Als
dit het geval is dan heeft het CAPP als effect dat hun wantrouwen wordt
bevestigd, aangemoedigd en versterkt.
[Blz.
316]
Een van de redenen waarom zo veel kinderen de oom die zijn neefje of nichtje een nachtzoen gaf verkeerd beoordeelden was dat deze situatieschets zo leek op degene die in een van de rollenspellen als onveilig werd voorgesteld. Dit is met opzet gedaan. Het is van cruciaal belang dat, wanneer we proberen kinderen bij te brengen hoe ze voor zichzelf kunnen opkomen, we hen niet overgevoelig maken of hen alledaagse gebeurtenissen die ze als plezierig zouden moeten beschouwen uit de weg doen gaan.
Het voornaamste verschil tussen de situatieschets in het rollenspel en die in de test was gelegen in de emotionele betrokkenheid van het kind. In het rollenspel was het angstig, gespannen en niet op haar gemak. In de test was de situatie er een van plezier, genoegen, warmte en affectie.
Dat een groot aantal kinderen deze elementen zijn ontgaan geeft veel te denken. Het probleem bij veel preventie-programma's is dat ze voorvallen van misbruik presenteren zonder deze in een maatschappelijke context te plaatsen.
Kinderen
wordt verteld dat ze de baas zijn over hun lichaam, maar moeten dit gegeven zien
te integreren met tal van alledaagse gebeurtenissen waarbij ze er niet de baas
over zijn. Of een handelwijze neerkomt op seksueel misbruik of mishandeling kan
echter niet worden vastgesteld zonder dat wordt gezien naar de maatschappelijke
en intermenselijke context waarin deze handeling plaatsvindt. Het is echter
moeilijk kinderen een juist oordeel over deze context bij te brengen, met name
indien we aan vraagstukken van de ontwikkelingspsychologie, kinderseksualiteit
daarbij inbegrepen, voorbijgaan.
Neem
het rollenspel met de oom die een zoen verlangt. In de eerste versie zet Anne's
oom de televisie uit en stelt voor dat het meisje naast hem komt zitten, waarna
hij haar vraagt hem een zoen te geven. Wanneer ze dat weigert probeert hij haar
eerst daartoe te bewegen door haar een cadeautje te beloven en als dat nog niet
helpt, gebiedt hij haar hem te zoenen.
In de tweede uitvoering, waarin Anne moet laten zien wat ze heeft geleerd, staat zij op haar recht wanneer oom Harry de televisie afzet.
Vanzelfsprekend is er op zich geen sprake van misbruik wanneer een volwassene een kind dat onder zijn hoede is zegt dat de TV uit moet. Desalniettemin wordt hier gesteld dat Anne haar drie rechten (veiligheid, kracht en vrijheid) met betrekking tot de televisie doet gelden. Vervolgens vraagt oom Harry om een zoen en Anne weigert beslist.
Het probleem is hier dat Anne' s gemoedstoestand voorafgaand aan die
weigering niet wordt duidelijk gemaakt, zoals wel werd gedaan in de eerste
uitvoering. Daar werd aangegeven dat Anne het onplezierig vond om haar oom te
zoenen. In de tweede uitvoering daarentegen wordt de aandacht gericht op het
gedrag van oom Harry (de zoen, die op het moment dat Anne weigert helemaal niet
is afgedwongen) en niet op het feit dat Anne zich niet op haar gemak voelt.
Wanneer de kinderen vervolgens de test maken zijn ze er niet op gericht te zoeken naar dit soort innerlijke aanwijzingen, maar veeleer op het reageren op uiterlijke verschijnselen, zoals in deze beide gevallen de oom die een zoen wil hebben.
Helaas wordt het probleem niet noodzakelijkerwijze opgelost door meer informatie te verschaffen over Anne's gemoedstoestand. Daardoor zou namelijk de vraag of er wel of niet van misbruik sprake is uitsluitend komen af te hangen van hoe het kind de desbetreffende gebeurtenis ervaart en zou de intentie van de volwassene niet aan bod komen.
Gegeven de regelmaat waarmee volwassenen elkaars bedoelingen
al verkeerd verstaan, kan verwacht worden dat kinderen eens te meer geneigd
zullen zijn gedrag ten onrechte aan te merken als misbruik wanneer ze slechts op
hun eigen gevoelens met betrekking tot dit gedrag zouden afgaan. Dit zal zeker
het geval zijn wanneer die gevoelens mede zijn gevormd door een
preventie-programma zoals het hier besprokene.
De uitkomsten van dit onderzoek geven aan dat kinderen er moeite mee hebben, zich de begrippen eigen te maken die relevant zijn in het kader van de preventie van misbruik. Jongere kinderen hebben daarmee grotere moeilijkheden dan oudere kinderen. Bovendien heeft het onderzoek geen aanwijzingen gevonden dat kinderen in staat zijn hun kennis toe te passen in de praktijk: kinderen bleken in concrete situatieschetsen, bedoeld om hun onderscheidend vermogen te testen, niet in staat te zijn veel van het geleerde te vertalen naar het geschetste voorval.
In de eerste klasse meenden veel misbruik waar te nemen in situaties waarin dat niet het geval was.
Bij zesdeklassers vond zelfs een significante stijging plaats van zulke beoordelingsfouten nadat ze de rollenspellen hadden gezien.
Bij de derdeklassers werd een dergelijke verschuiving niet waargenomen.
Evaluaties van preventie-programma's moeten om te beginnen de uitwerking van de programma 's op het leven en denken van kinderen onderzoeken.
Zoals eerder werd beschreven loopt men, wanneer in dergelijke programma's identificaties moeten worden gemaakt, het risico dat er zich veel vals-positieven voordoen: kinderen menen misbruik waar te nemen waar dat zich niet voordoet. De uitkomsten van dit onderzoek geven weer hoe in de praktijk kinderen op een dwaalspoor kunnen raken door het maken van dergelijke beoordelingsfouten.
Evenzeer als veel kinderen die feitelijk seksueel misbruikt zijn dit misbruik nooit rapporteren, kunnen we aannemen dat veel kinderen die ten onrechte menen misbruikt te zijn (doordat ze door een preventie-programma in de war zijn gebracht) dit evenmin aan iemand vertellen.
Dientengevolge zijn deze kinderen ertoe gedoemd zichzelf als
slachtoffer te zien, of ten minste een paranoïde afkeer te krijgen van
intimiteit met familieleden en vrienden. En indien zij zich geroepen voelen, wel
over het gebeurde te spreken en het als een geval van "misbruik'! te melden
(of alleen maar te polsen of het dat wellicht was), zal dat helaas maar al te
vaak gevolgen hebben die zowel het kind zelf als degene die ten onrechte van
misbruik beticht is grote schade berokkenen [*19].
Preventie-programma's moeten beschouwd blijven worden als experimenten, die tal van onbekende effecten op kinderen hebben.
Het is van essentieel belang dat de uitwerking van pogingen om kinderen de begrippen uit preventie-programma's bij te brengen op de verdere ontwikkeling van die kinderen wordt onderzocht. Een dergelijke evaluatie zal strikt en onbuigzaam de gevolgen voor kinderen vaststellen op cognitief, sociaal, emotioneel, intermenselijk en seksueel terrein.
Een dergelijke evaluatie is nodig voordat grote groepen leerlingen aan dergelijke programma's worden blootgesteld.
[Blz. 318]
Ze zullen moeten zeker stellen dat de programma's niet zelf kinderen misbruiken doordat hun inhoud en opzet het risico vergroten dat kinderen zich ten onrechte als misbruikt gaan beschouwen. Aldus dient te worden voorkomen dat we, in onze ijver om kinderen te beschermen, hen in werkelijkheid tot slachtoffers maken.