|
Het Lanning-Rapport [Blz. 63] Het
zichtbaar maken van de tegenstander Het zichtbaar maken van de tegenstanderHoe officiële instellingen en beroepsmensen het beeld van de volksduivel opbouwen blijkt vooral het rapport Child molesters: A behavioral analysis (Child molesters: een gedragsanyse.). Het rapport is een gezamenlijke uitgave van de FBI en het Nationaal Centrum voor Vermiste en Uitgebuite Kinderen, en geschreven door Kenneth V. Lanning, Supervisory Special Agent van de FBI [*12]. De lessen van Lanning aan de FBI-kaderschool in Quantico, Virginia, werden bijgewoond door twee leden van de Werkgroep kinderpomografle die werd ingesteld door de Nederlandse minister van justitie (werkgroep-de Wit). In hoofdstuk 9 wordt daarop nader ingegaan. Beide leden waren zeer ingenomen met Lanning’s betogen [*13] en het was dan ook daardoor dat het eindrapport van de werkgroep ideeën omvatte die van Lanning afkomstig waren. Lanning heeft aldus directe invloed gehad op het Nederlandse justitiebeleid met betrekking tot "ontucht" en kinderporno, en het is mede daarom dat we hier zijn rapport uitvoerig willen bespreken. De volksduivel heeft meer functies dan alleen de schrik erin te houden: hij wordt het doelwit van de acties om iets tegen het gevaar te ondernemen. De eerste stap daartoe is de identificatie: wie een onzichtbare tegenstander wil verslaan moet hem eerst zichtbaar maken. [Blz. 64] Binnen het justitiële apparaat hanteert men hiertoe wel de profiel benadering: van de op te sporen verdachte wordt op basis van wat over zijn gedrag bekend is een psychologisch profiel opgesteld dat kan worden gebruikt om zijn toekomstig gedrag te voorspellen en aldus een meer gerichte opsporing mogelijk te maken. Zo werd in 1990 in Nederland een verkrachter opgespoord met behulp van een daderprofiel. Daarbij moet worden aangetekend dat het hier ging om een profiel dat was opgesteld van een individuele persoon. Lanning kiest een andere benadering: in zijn rapport schetst hij niet zozeer het profiel van een individu als wel van een veronderstelde bevolkingsgroep: hij noemt deze nog child molesters, maar in zijn rapport is al de begripsverschuiving te zien van child molester naar "pedofiel": zijn analyse is geconcentreerd op wat hij noemt het "identificeren van pedofielen" [*14]. Hij gaat ervan uit dat het hierbij gaat om een aanwijsbare groep met gemeenschappelijke kenmerken en het doel van zijn rapport is, deze kenmerken in kaart te brengen. Met deze benadering levert Lanning de theoretische basis voor het geloof in de volksduivel die door typische groepskenmerken afwijkt van de "normale" bevolkingsmeerderheid. Sterker nog: voor zover pedofielen algemeen gebruikelijk gedrag vertonen, zoals het bezitten van een computer, of het plaatsen van kinderfoto's op de schoorsteenmantel, beschouwt Lanning dat bij leden van de door hem in het vizier genomen bevolkingsgroep als een aanwijzing voor hun afwijkendheid. Lanning presenteert de studie, blijkens de titel ervan, als een gedragsanalyse. Zijn benadering is echter veeleer die van het sociaal objectivisme: populaire definities van afwijkend gedrag ziet hij als objectieve waarheden, zonder in te zien dat deze deel uitmaken van de wijze waarop de werkelijkheid maatschappelijk wordt geconstrueerd [*15]. Hij maakt geen onderscheid tussen primaire en secundaire afwijking. Met "primaire afwijking" worden hier de pedoseksuele handelingen zelf bedoeld. Het verbod op seksuele en erotische contacten tussen volwassenen en jeugdigen kan echter, los van de rechtstreekse, primaire effecten die deze contacten op de betrokkenen hebben, aanleiding geven tot secundaire effecten, zoals schuldgevoel, schaamte en angst. Deze laatste hangen samen met de reactie van de samenleving op dergelijke contacten en zijn te zien als secundaire deviantie. Zowel jeugdigen als volwassenen zijn vatbaar voor deze secundaire deviantie ten gevolge van de zware last van angst en schaamte die op hen kan komen te rusten. Dit kan zelfs zo zijn in die gevallen waarin de oorspronkelijke seksuele handeling betrekkelijk weinig of niet schadelijk was. De secundaire effecten kunnen verder uitgroeien tot geheimhouding, bedreiging, chantage enzovoort. Bij een ander waardenkader kunnen de secundaire effecten daarentegen zelfs geheel verdwijnen [*16]. Lanning bespreekt secundaire devianties alsof deze in feite primair zijn. Constructies van sociale types, zoals de door Lanning gemaakte, zijn echter niet in de eerste plaats empirische exercities, maar betrekkelijk willekeurige categorisaties. De categorieën waarin hij mensen indeelt zijn in feite stereotypen van een veel complexer gammna van persoonlijke leefwijzen. Zo noemt hij pedofilie "een besmettelijke ziekte" (blz. 28) en suggereert hij dat bestraffing en behandeling daarvan elkaar niet hoeven uit te sluiten. [Blz. 65] Het gebruik van computers, bij heteroseksuele volwassenen een veel voorkomend verschijnsel, wordt beschreven als onderdeel van het dwangmatige neurotische gedragspatroon dat voor pedofielen kenmerkend is:
Toen dit werd geschreven had de Amerikaanse Senaat al een reeks hoorzittingen achter de rug over het gebruik van computers door pedofielen, ter voorbereiding van de Computer Pornography and Child Exploitation Prevention Act"
Het ging hierbij in het bijzonder om het gebruik van computer-prikborden. Op basis van anekdotische bewijsvoering werd vastgesteld dat
Hierachter lag de vrees voor de ondergrondse netwerken waarlangs, zo meenden wetgever, media en publiek, op grote schaal kinderen en kinderporno verhandeld zouden worden. Communicatie via de computer zou dit veiliger, want anoniemer, maken dan postverzending [*19]. In het rapport van de Senaatscornmissie-Roth, die de kinderpornohandel onderzocht, worden enkele politiefunctionarissen geciteerd die in hun rayons berichten op prikborden hadden zien verschijnen waaruit seksuele interesse in minderjarigen sprak [*20]. Deze berichten waren echter afkomstig van personen die via zo'n prikbord contacten zoeken; een geval waarin kinderen langs die weg worden aangeboden wordt in het rapport-Roth niet genoemd. Het rapport meldt voorts uitsluitend anekdotes van politie-mensen; de enige gevallen van feitelijke arrestatie betreffen personen die waren geïdentificeerd als pedofiel via een computer-prikbord. Dat er werkelijk van handel via computers en van een grote maatschappelijke dreiging sprake zou zijn is uit het rapport niet op te maken. Op deze wijze krijgen algemeen voorkomende gedragingen een nieuwe strekking: ze worden omschreven als onderdeel van een afwijkend en gevaarlijk gedragspatroon. Het rapport-Lanning is voorts een beschrijving van een niet-representatieve steekproef, namelijk gearresteerde wetsovertreders. [Blz. 66] Lanning gaat niet in op de problematiek van het steekproeftrekken. Hij stelt dat pedofielen "bijna altijd kinderporno of kindererotica verzamelen" (blz. 17), dat zij grote aantallen slachtoffers plegen te misbruiken en de neiging vertonen, herhaaldelijk en met groot risico kinderen te verleiden tot seksuele handelingen. Daarbij ziet hij niet onder ogen dat zijn studiemateriaal vertekend is door het feit dat het daarin gaat om mensen bij wie door de FBI pornoverzamelingen zijn aangetroffen of die promiscue en riskant gedrag vertonen. Met evenveel recht zou men aldus op grond van zijn materiaal kunnen concluderen dat alle pedofielen uiteindelijk door de FBI worden opgepakt. Wanneer pogingen in het werk worden gesteld om op basis van dergelijke algemeen voorkomende gedragsvormen een groep criminelen uit te selecteren loopt men onvermijdelijk het risico, anderen die eveneens sommige van de beschreven gedragskenmerken vertonen, ten onrechte te beschouwen als potentiële daders. Dat dit gevaar niet denkbeeldig is blijkt uit de beschrijving die Stanley in hoofdstuk 4 geeft van het Amerikaanse opsporingsbeleid: doelwit van de "uitlokacties" van de Amerikaanse justitie zijn vaak mensen die in het geheel niet tot de door Lanning beschreven groep kunnen worden gerekend. Bij deze acties worden mensen bij voorbeeld bestelformulieren voor kinderporno toegezonden met als doel hun een bestelling te ontlokken, waardoor zij in de val lopen. Dit vloeit voort uit Lanning's nadruk op types in plaats van feitelijk verrichte handelingen. Iemands vermeende geneigdheid tot het plegen van seks met kinderen wordt gebruikt als rechtvaardiging voor een politie-onderzoek naar diens doen en laten. Een voorbeeld van de manier waarop Lanning's rapport" wordt gebruikt voor het in diskrediet brengen van personen is de recente aanval op de onderzoeker Kinsey. De baanbrekende conclusies uit Kinsey's onderzoek naar het seksuele gedrag van de Amerikanen zijn vanuit fundamentalistisch-christelijke hoek onder vuur genomen in het boek Kinsey, Sex and Fraud, geschreven door Judith Reisman en Ed Eichel. Met name Kinsey's conclusies over homoseksualiteit en seksueel gedrag van kinderen vormen voor de auteurs een steen des aanstoots. Met behulp van Lanning's rapport probeert Eichel aan te tonen dat Kinsey (een getrouwde huisvader) in werkelijkheid pedofiel was:
A priori onderscheidCentraal in Lanning's typologie staat het onderscheid tussen preferential child molesters en situational child molesters
[Blz. 67]
Lanning gaat echter op twee manieren verder dan dat.
Voor de situational child molesters zijn dat er vier (blz. 8):
Bij de pedofielen gaat het om drie categorieën:
Het onderscheid heeft een a priori karakter: zoals elke analytische exercitie, zegt het iets over de wijze waarop de woorden worden gebruikt, maar beschrijft het niet noodzakelijkerwijze de werkelijkheid. Wellicht maakt het op sommigen een "wetenschappelijke" indruk. In werkelijkheid kan de validiteit van een dergelijke indeling slechts worden bepaald aan de hand van een factoranalyse, welke echter niet is uitgevoerd. Lanning noemt "zomaar wat" categorieën; er had bij voorbeeld willekeurig een categorie personen bijgezet kunnen worden die zo lelijk zijn dat geen volwassene met hen naar bed wil, zodat ze zich dus maar tot kinderen wenden: de "ugly situational child molester". De elementen van het proces van zedenangst [*23] waarmee in de volksmythologie volksduivels worden gevormd zijn in Lanning's rapport terug te vinden. Bewust-wording is het aanvangsproces; hierdoor wordt de publieke aandacht gericht op bepaalde vormen van afwijkend gedrag. Typerend is dat dit gedrag, dat in meer of minder goedaardige vorm altijd al bestaan had, in dit eerste stadium van zedenangst opnieuw wordt gedefinieerd als iets nieuws en bedreigends. De publikatie van dit rapport door de FBI en het Nationaal Centrum voor Vermiste en Uitgebuite Kinderen en de verspreiding ervan onder vrijwel alle politiebureaus in de Verenigde Staten, hebben bijgedragen aan de massahysterie rond het erin behandelde thema [*24]. Symboolvorming, het tweede element van zedenangst, vindt plaats doordat bepaalde opvallende kenmerken van het afwijkende gedrag worden aangezien als essentiële ingrediënten daarvan. Dergelijke symbolen accentueren het onderscheid tussen de afwijkende groep en de "normale" bevolking en versterken daarmee de indruk dat de afwijkende groep inderdaad iets heeft wat anderen missen. Dit kan ertoe leiden dat de symbolen op zich reeds als voldoende aanleiding worden gezien tot overheidsingrijpen. [Blz. 68] Zo voldoet men, wanneer men "boven de 25, alleenstaand, nooit gehuwd" is (blz. 12) en bovendien een "buitensporige belangstelling voor kinderen" heeft (blz. 13) aan sommige van de kenmerken die Lanning gebruikt om bepaalde types van de rest van de bevolking te onderscheiden. Wat "buitensporige" belangstelling voor kinderen is, wordt door Lanning niet gedefinieerd: hij stelt alleen dat het "te mooi is om waar te zijn" (blz. 13), uiteraard een subjectief begrip. Zijn criteria staan dus open voor individuele beoordeling en zijn geschikt om argwaan te wekken jegens een groot deel van de bevolking, niet alleen tegen Kinsey. Verdraaiing van gegevens vindt eveneens plaats wanneer het profiel van de afwijkende groep nader wordt ingevuld. Dit begint wanneer wordt ingezoomd op één aspect van iemands persoonlijke leven, zoals seksuele belangstelling voor kinderen. Dit inzoomen leidt ertoe dat het belang van dit aspect als onderdeel van iemands persoonlijkheid steeds overdrevener wordt voorgesteld. Zo schrijft Lanning bijvoorbeeld:
Er is geen aanwijzing dat de pedofiele seksuele drijfveren verschillen van de hetero- of homoseksuele, in intensiteit, persistentie of responspatroon. Sterker nog, er bestaan aanwijzingen, zo laat Syrnons zien [*25], dat de seksuele drijfveren veeleer worden bepaald door het geslacht dan door de seksuele voorkeur. Ongeacht deze voorkeur neigen mannen ertoe een patroon te volgen dat contrasteert met het vrouwelijke waar het gaat om zaken als: ontvankelijkheid voor visuele stimuli, een in het algemeen meer genitaal gerichte oriëntatie en een neiging om steeds nieuwe en wisselende partners te zoeken (per traditie aangeduid als het mannelijke jachtinstinct). Dit mannelijke patroon verschilt niet essentieel tussen hetero- en homoseksuele mannen. Er zijn geen gegevens waaruit blijkt dat het bij de pedofiele voorkeur anders zou zijn. Van de volwassen man die veel en vaak seks met vrouwen wenst wordt niet gezegd dat hij een ongebruikelijk probleem heeft; veeleer is zijn neiging een gebruikelijke. Het probleem waar personen met een voorkeur voor seks met jeugdigen voor staan is simpelweg dat dergelijke seks in onze cultuur wordt afgekeurd en strafbaar is. Lanning's suggestie dat de voorkeur voor frequentie en aantal sekscontacten bij pedofielen hoger zou zijn dan bij personen met een voorkeur voor volwassenen maakt deel uit van zijn polemiek die erop is gericht, de lezer angst in te boezemen en de roep om tegenmaatregelen te versterken. Feitelijke informatie geeft ze niet. Ook maakt Lanning gebruik van hyperbolisch taalgebruik:
[Blz. 69] Lanning komt tot deze definitie door op zich positief of neutraal te waarderen kenmerken om te bouwen tot een buitengewoon sinister geheel. Het vermogen om met kinderen te communiceren wordt beschreven in een context die subtiel verschuift van het luisteren naar kinderen tot een impliciete verwijzing naar motieven waarmee dat gedaan zou worden. Iedereen die met kinderen omgaat kan leren met hen te communiceren, dus is er geen reden om aan te nemen dat zulks niet voor pedofielen zou gelden. De mogelijkheid dat zij hun energie aanwenden voor sociaal aanvaarde en nuttige doeleinden wordt bij voorbaat uitgesloten door hun handelingen steeds te beschrijven in termen van het beramen van een misdrijf. Een hyperbolische term als "meester-verleider" is daarvan een voorbeeld. Zo is ook het volwassen zijn of gezag hebben op zich niet negatief; dat is alleen het misbruik daarvan. Het laatste is een veel breder voorkomend verschijnsel dat men bij sommige politiefunctionarissen al evenzeer aantreft als bij sommige pedofielen. Lanning duidt kinderen die aandacht krijgen van een pedofiel aan als "doelwitten" (targets). Het is onwaarschijnlijk dat hij van een volwassen partner zonder meer zou zeggen dat deze een "doelwit" is. Een zelfde impliciet waardeoordeel geeft Lanning in zijn beschrijving van de aard van de relatie tussen pedofiele volwassene en jeugdige:
Ook hier verschuift de beschrijving subtiel doordat voorbij wordt gegaan aan de voor de hand liggende mogelijkheid dat er in bepaalde gevallen werkelijk van liefde voor kinderen sprake is en deze ook wordt beantwoord. Voor kinderen die elders zijn mishandeld of verwaarloosd kan de relatie een belangrijke ervaring zijn van een liefde die ze elders hebben gemist. De door ons in hoofdstuk 10 geïnterviewde jongens zijn hiervan een illustratie. Dergelijke verdraaiingen leiden tot spreiding, het proces waarbij het oorspronkelijke afwijkende gedrag wordt geassocieerd met allerlei andere gedragingen. Lanning schrijft:
[Blz. 70]
De zeldzame seksuele praktijken waarover Lanning het hier heeft kunnen voorkomen bij elke groep. Men kan evengoed schrijven: "De seksuele gerichtheid op vrouwen van de heteroseksuele man kan worden gecombineerd met ... enzovoort." Lanning schrijft eveneens: "Bijna elke childmolester is in staat tot geweldpleging of moord om ontdekking te voorkomen" (blz. 7), zonder te wijzen op het uiterst geringe aantal keren dat zulke moord werkelijk plaatsvindt. Lanning zegt ons feitelijk niets over pedofielen, maar geeft alleen een emotionele lading aan de bestaande volksduivel-mythes door deze te larderen met een litanie van gruwelen. In feite is er echter geen aanwijzing dat pedofielen meer geneigd zouden zijn tot sadisme, massamoord of lidmaatschap van een sekte van Duivelsaanbidders dan wie ook. Degenen die zich tot taak stellen de volksduivel te bestrijden hanteren neigen er vaak toe, het belang en de urgentie van hun taak groot te doen lijken. Kenmerkend is dat het afwijkende gedrag wordt voorgesteld als vaker voorkomend dan door objectieve medische of criminele statistiek kan worden aangetoond, terwijl ook de gevolgen van de afwijkende activiteiten worden overdreven. Voor zover het wel in dergelijke statistieken verschijnt wordt dat gewoonlijk aangeduid als de "top van de ijsberg". De angst wordt verder aangewakkerd door te suggereren dat de dreiging die van het afwijkende gedrag uitgaat steeds groter wordt:
Verdachtmaking van andere visiesAlle samenlevingen ontwikkelen mechanismen voor het handhaven van bestaande sociale en morele waarden. Deze mechanismen kunnen een taboe inhouden op het bespreken van zaken, indien daardoor de maatschappelijke consensus wordt bedreigd. [Blz. 71] In het Lanning-rapport is dit taboe eveneens terug te vinden, zowel in het gebrek aan kritische zin bij de auteur jegens zijn eigen visies als in zijn opbouw van het beeld van de volksduivel. Het feit dat wetenschappelijke studies uitwijzen dat seksuele contacten tussen volwassenen en kinderen in sommige niet-westerse culturen en hedendaagse subculturen anders worden bekeken, wordt uitgelegd als een poging tot goedpraten van crimineel gedrag. Lanning schrijft:
Vervolgens stelt hij de "passieve bekrachtiging" (dat wil zeggen bevestiging door een derde van hun positieve visie op zichzelf) gelijk aan het stimuleren van afwijkend gedrag en heeft hij het over
Kennelijk ziet hij alleen al het spreken over een alternatieve visie als een aanzet tot het plegen van misdrijven. Het bezit van genoemde literatuur wordt een reden voor verdenking. Lanning:
Het gebruik van aanhalingstekens bij het woord deskundigen wordt door Lanning gebruikt om andere opvattingen in diskrediet te brengen, zonder op hun argumenten in te gaan. In plaats daarvan komt Lanning tot krachtige ontboezemingen, zoals:
Het verband tussen een sprong van een hoog gebouwen het aangaan van een door een jeugdige gewenste relatie blijft hier mistig. Maar of genoemde relaties wel of niet strafbaar behoren te zijn, is hier niet het punt. Het punt is dat Lanning andere opvattingen dan de zijne afdoet door suggestief taalgebruik, overdrijving, het plaatsen van aanhalingstekens en emotionele uitbarstingen die een gebrek aan argumenten van zijn kant moeten verhullen. [Blz. 72] Veroordeling als doelHoewel Lanning's adviezen oorspronkelijke bedoeling waarschijnlijk was, kinderen tegen feitelijk seksueel misbruik te beschermen, verschuift de raison d'être van het door hem aanbevolen politie-optreden naar de vervolging van veronderstelde pedofielen sec. Het hoofddoel is het aanwijzen van personen die pedofiel zouden kunnen zijn, waarna de actie om hen veroordeeld te krijgen volgt:
Het hierboven aanbevolen op zoek gaan naar andere slachtoffers kan zaken als een sneeuwbal doen aangroeien. In de Verenigde Staten en daarbuiten zijn inderdaad talrijke omvangrijke ontuchtzaken te zien geweest waarbij steeds meer vermeende slachtoffers werden gehoord en hun verklaringen steeds bizarder en onwaar werden. Zoals in hoofdstuk 7 wordt beschreven, neigen jonge kinderen ertoe, onder de druk van herhaalde en aanhoudende ondervragingen te gaan fantaseren. In Nederland bleek dit het duidelijkst bij de zaak Oude Pekela [*27], waar tientallen kinderen door ondeskundig ondervragen verhalen begonnen te vertellen over ontvoering en bizar seksueel misbruik, die geen van alle een bevestiging konden vinden in de realiteit. Lanning gaat ook voorbij aan de schade die ondeskundige ondervraging bij getuige-slachtoffers kan aanrichten. Bovendien zien we hier hoe het gericht zijn op veroordelingen ertoe leidt dat de vraag of de persoon in kwestie een misdrijf heeft gepleegd niet meer voorop staat: er vindt een verschuiving plaats naar de vraag of deze persoon het misdrijf zou willen plegen. Lanning maakt dit zelf duidelijk door te stellen dat het er hem om gaat, jury's om te praten. In feite is het bezit van kinderporno helemaal geen bewijs van feitelijk seksueel misbruik. Wel uiteraard indien deze een foto betreft van door de verdachte zelf gepleegde ontucht met een kind, maar daartoe beperkt Lanning zich niet. De kinder-erotica waarvan hij rept wordt door hem omschreven als niet-pornografische foto's van kinderen en omvat mede zaken als boeken over ontwikkelingspsychologie, persoonlijke herinneringen, speelgoed en spelletjes. Lanning schrijft: [Blz. 73]
Het is moeilijk in te zien hoe foto's van geheel geklede kinderen steunbewijs kunnen verschaffen van ontucht. Van wat Lanning schrijft is het maar een kleine stap naar de stelling dat iedereen die wel eens pedofiel zou kunnen zijn, blijkend uit bij hen aangetroffen "kinder-erotica", opgesloten zou moeten worden, of er nu bewijs van feitelijke ontucht is of niet. Tot besluitEen recherche-benadering van de problemen van wet en orde door de politie kan voorbijgaan aan de vraag of de wet die ze moet handhaven juist is, op grond van de overweging dat het niet aan de politie is om dit oordeel te geven. Maar daarmee wordt ook voorbij gegaan aan het feit dat de wet is bedoeld om mensen te beschermen. Daarentegen kunnen veiligheid en vrijheid van mensen worden bedreigd zodra de wet een doel op zich wordt. Er wordt dan voorbij gegaan aan zaken zoals keuzevrijheid, wederzijdse instemming en het feit dat de overheid zich bij het stellen van regels voor de persoonlijke moraliteit op glad ijs begeeft. Lanning's uitgangspunt is echter een onwankelbaar vertrouwen in de wet en de heersende populaire opvattingen die daaraan ten grondslag liggen. Zijn strategie richt zich op stereotypen die, hoewel ze een karikatuur van de werkelijkheid vormen, de drijfjacht vergemakkelijken. Het paradoxale in Lanning's benadering is dat hij zijn analyse richt op een beperkte bevolkingsgroep, maar tegelijkertijd de criteria om te bepalen wie tot die groep behoort dermate ruim definieert dat een groot deel van de bevolking het risico loopt, zich tot die groep gerekend te zien. Dat is dan ook wat er in de praktijk gebeurt, met de vervolging en veroordeling van onschuldigen als gevolg. De mogelijkheid dat onschuldigen worden vervolgd wordt door Lanning echter niet onder ogen gezien. [Blz. 74] Men kan zich ten slotte afvragen of Lanning's profielschets wel een zinvolle functie kan hebben. Immers: als vaststaat dat iemand een seksueel misdrijf met een kind heeft gepleegd, is het niet nodig hem ook nog eens via een profielschets als dader te identificeren. Het feit waar het om gaat is bekend. Als er echter geen aanwijzingen zijn dat iemand zo'n misdrijf heeft gepleegd, waarom zou men hem dan willen identificeren? Geredeneerd vanuit Lanning's recherche-optiek is dat laatste geen tegenargument: hij gaat er immers vanuit dat de door hem gezochte personen, als ze niet reeds misdrijven hebben gepleegd, dat vroeg of laat zeker zullen gaan doen. Dat ze dus een gevaar vormen voor de maatschappij en daar, al of niet na een door justitie uitgelokt misdrijf, zoals het kopen van kinderporno, uit dienen te worden verwijderd. Zijn profielschets beoogt sturing te geven aan het recherchewerk doordat men gericht naar veronderstelde daders kan zoeken. Op zich is dat geen uitzonderlijke aanpak: de politie pleegt niet passief af te wachten tot iemand eens een aanklacht indient, maar probeert ook los daarvan inzicht te krijgen in het doen en laten van de criminele milieus. Lanning richt zich echter niet op de onderwereld, of zelf maar een deel daarvan, maar op een volgens ruime criteria gedefinieerde bevolkingsgroep. Deze filosofie van de misdaadbestrijding vormt de achtergrond van de in de Verenigde Staten gebruikelijke sting-operaties, het uitlokken van wetsovertredingen, zoals dat door Stanley in hoofdstuk 4 is beschreven. Lanning's rapport is de theorie waaruit de door Stanley beschreven praktijken zijn voortgevloeid. De rechercheursbenadering van Lanning werd overgenomen door anderen buiten de justitiële hoek. Ook maatschappelijk werkers en wetenschappers sloten zich erbij aan. Aan de massale onderzoeken van hulpverleners naar seksueel misbruik lagen zowel medische, sociologische als feministische theorieën ten grondslag. Daarentegen had de retoriek van het justitieapparaat, zoals die in het Lanningrapport naar voren komt, geen wetenschappelijke basis. Veel verschil maakte dit overigens niet: zoals Okami in deze bundel laat zien, kleefden er aan de wetenschappelijke publikaties over dit onderwerp eveneens tal van bezwaren. De conclusies van Lanning enerzijds en veel wetenschappelijke en polemische publikaties anderzijds liepen dan ook parallel. Lanning is een van de overheidsdienaren die het werk van de actiegroepen uit de eerste golf van hysterie over kinderporno vertaalden in het concrete overheidsoptreden dat de tweede golf kenmerkte. De polemiek verschoof onder hun invloed van het overtuigen van mensen dat er een probleem bestond tot het formuleren van tegenmaatregelen. Het Lanning-rapport werd aldus, wellicht meer dan enig ander document, de moderne versie van "De Heksenhamer" [*28]: een handleiding voor de politie- en justitiefunctionarissen die uitvoerders werden van de volkswil om op te treden tegen het veronderstelde gevaar.
|