Rationele en integere emancipatie van niet-schadelijke pedofilie
Door drs. Titus Rivas [*1]
"Waar het om gaat is dat er überhaupt meisjes en jongens zijn met andere dan misbruik- en exploitatie-ervaringen."
Theo Sandfort, Meisjes over hun pedofiele vriendschappen met mannen,
1983
Samenvatting
Pedofilie wordt tegenwoordig vaak gebruikt als synoniem voor kindermisbruik.
Emancipatie van ‘pedofiele’ gevoelens kan in die betekenis alleen maar gaan over de uitbanning en beheersing ervan. Pedofilie kan echter ook gebruikt worden in de oudere betekenis van affectieve aantrekking tot kinderen, die een erotisch, seksueel of amoureus aspect kan hebben. Er is geen aanwijzing dat pedofilie in deze betekenis standaard leidt tot misbruik.
Er bestaan betrouwbare gegevens over vrijwillige platonische en erotische pedofiele vriendschappen die ook later geen psycho-seksuele of andere psychologische schade veroorzaken. De rationele en moreel verantwoorde emancipatie van onschadelijke pedofiele relaties richt zich uiteraard uitsluitend op dit soort vrijwillige relaties.
De auteur staat stil bij de vraag wat vrijwilligheid in dezen inhoudt en welke morele en pedagogische randvoorwaarden er zijn voor integere relaties. Verder staat hij nog beknopt stil bij de vraagstukken van losse seksuele contacten, erotica en
kinderprostitutie. Het artikel sluit af met een constatering dat er niet zoiets is als één overkoepelende pedofiele identiteit, doordat iedere volwassene met pedofiele gevoelens weer anders is.
Inleiding
‘Pedofiel’ wordt tegenwoordig vaak gebruikt als synoniem voor ‘iemand die kinderen misbruikt’ of ‘kinderverkrachter’. Zo iemand ‘emanciperen’ kan in dat geval niet veel anders betekenen dan hem [*
2] ervan doordringen dat hij verkeerd bezig is of psychologische hulp nodig heeft. Door hem te laten inzien hoeveel leed de kinderen die hij misbruikt wordt berokkend, kan hij zich hopelijk losmaken van zijn kwalijke neigingen. Of in elk geval van de drang om die in de praktijk te brengen via masturbatie of daadwerkelijk contact met kinderen.
De pedofiel wordt daarbij dus zoveel mogelijk ‘geëmancipeerd’
van zijn pedofiele gevoelens. Het emanciperen van ‘pedofielen’ in iedere andere betekenis komt binnen het genoemde conceptuele
kader neer op het normaliseren van - verlangens naar - seksueel misbruik van kinderen.
Het ligt daarom voor de hand dat organisaties die emancipatie
nastreven van ‘pedofielen’ zonder deze zoveel mogelijk van hun ‘pedofilie’
te willen verlossen, door velen als immoreel worden gebrandmerkt. Die bewegingen zouden namelijk willens en wetens de maatschappelijke aanvaarding
van verlangens naar seksueel misbruik van kinderen nastreven.
Wat hierbij direct opvalt, is dat de aanwezigheid van seksuele gevoelens voor kinderen als zodanig per definitie als een probleem wordt gezien. Zoiets is merkwaardig omdat voor de kinderen uiteraard alleen de seksuele handelingen schadelijk zouden kunnen zijn, in de zin van seksueel misbruik.
Dit fenomeen kun je op minstens drie manieren duiden:
- (a) Het gaat om een denkfout: aangezien elk seksueel misbruik van kinderen
voort zou komen uit seksuele gevoelens voor kinderen - wat overigens zelf al onjuist is -, leiden alle seksuele gevoelens voor kinderen ook tot seksueel misbruik.
De fout is vergelijkbaar met de redenering: omdat alle mensen dieren zijn, zijn alle dieren mensen. Niet alle seksuele gevoelens leiden zelfs maar tot masturbatie, laat staan tot handelingen waar derden fysiek aan te pas komen.
- (b) Er is sprake van een emotionele afkeer van pedofilie als ‘monsterlijke
perversie’ waarbij men monsterlijk associeert met gevaarlijk, vergelijkbaar met hoe monsters doorgaans in sprookjes of horrorfilms worden uitgebeeld.
- (c) Men heeft het gevoel dat kinderen eigenlijk al direct ‘bezoedeld’ worden
zodra volwassenen seksuele gevoelens voor hen koesteren.
Hoe dan ook is de afwijzing van pedofiele gevoelens volgens mij niet rationeel te funderen. Men mag er een irrationele afkeer of emotionele walging van hebben (dit komt wel vaker voor als gevoelens niet overeenstemmen met de eigen beleving) of levensbeschouwelijke bezwaren, maar dat heeft niets te maken met het behoeden van kinderen voor seksueel misbruik.
Voelen staat vrij, het enige waar men mensen in een humane samenleving op mag aanspreken is het handelen. Zolang iemand anderen niet schaadt, is er geen goede reden om zijn of haar gevoelsleven (van buitenaf) ter discussie te stellen. Er is dan sprake van een aantasting van de persoonlijke levenssfeer zonder dat daar deugdelijke gronden voor gegeven worden.
Dit stuk zal dan ook niet verder ingaan op de algemene bestrijding van pedofiele gevoelens, maar uitsluitend op de vraag of de rationele en integere ‘emancipatie’ op dit gebied ook nog iets anders kan inhouden dan het beheersen van die pedofiele gevoelens opdat ze niet leiden tot schade voor kinderen.
Emancipatie van pedofiele gevoelens zelf kan in elk geval al rationeel worden geherdefinieerd als ‘de acceptatie van, en moreel verantwoorde, constructieve omgang met’ die gevoelens, hoe dat vervolgens ook individueel vorm wordt gegeven.
In Nederland kent men in dit verband tegenwoordig onder andere
de NVSH-werkgroep JON (JORis [* 3] Oost-Nederland) die mensen stimuleert in het uitwerken van een geschikte persoonlijke omgang met de eigen pedofiele gevoelens. Op haar website bespreekt ze zo 20 verschillende leefstijlen waarna een 21e door de bezoeker zelf ingevuld zou kunnen worden (Gieles, 2001).
Aantrekking tot kinderen
Voorafgaand aan de huidige vernauwing van de betekenis van de term ‘pedofilie’ tot 'misbruik van minderjarigen', betekende het woord vooral ook ‘houden van kinderen’, hetgeen overigens direct samenhangt met de Griekse herkomst van de term. Uiteraard gaat het daarbij niet (primair) om de liefde van een vader voor zijn eigen zoons of dochters, maar om een horizontale, persoonlijke soort liefde die los staat van gezinsverhoudingen en die in ieder geval erotische, seksuele of amoureuze aspecten kan hebben [*4]
.
We kunnen dit vergelijken met termen als ‘heterofilie’ en ‘homofilie’. Iemand die heterofiele gevoelens heeft, voelt zich doorgaans niet uitsluitend seksueel tot leden van het andere geslacht aangetrokken. De aantrekking gaat verder: men voelt zich aangetrokken tot (aspecten van) iemands ‘vrouwelijkheid’ of ‘mannelijkheid’ die helemaal geen rechtstreeks verband hoeven te houden met
sex. Daarnaast voelt men zich doorgaans ook aangetrokken tot de specifieke persoonlijkheid van het voorwerp van de ‘philia’. Er kan sprake zijn van een bijzondere platonische vriendschap die uitsluitend in affectieve zin hetero- of homofiel is.
Ook bij pedofilie is er doorgaans sprake van een aantrekking tot kinderen (c.q. alleen jongens of meisjes) die verder gaat dan strikt seksuele gevoelens in lichamelijke zin. ‘Pedofielen’ kunnen zo verliefd worden op een concreet kind of zich daar sterk geestelijk en vriendschappelijk mee verbonden voelen.
Frits Bernard (1985) schrijft hierover:
"Laten we eerst vaststellen dat de vriendschappelijke relatie overheerst binnen een
pedofiele relatie, net als bij elke andere vriendschap.
(Vrij vertaald uit het Engels; vergelijk: Brongersma, 1990)
Dit gegeven wordt regelmatig erkend in de conservatieve literatuur over ‘pedofilie’, zoals alleen al blijkt uit de titel En ze noemen het liefde van een boek van Ireen van Engelen.
Merkwaardig genoeg wordt het feit dat pedofilie geen uitsluitend seksueel fenomeen is, doorgaans niet opgevat als een goede reden om niet-seksuele uitingen of verschijningsvormen van pedofilie anders te bejegenen dan seksuele uitingen.
Doorsnee hetero’s en homo’s hebben meestal voldoende
controle over de eventuele seksuele aspecten van hun gevoelens voor concrete medemensen, zodat de meeste van hen geen verkrachters zijn. De aanwezigheid van seksuele gevoelens vormt immers zelf nooit de enige oorzaak waarom iemand tot verkrachting overgaat; er moet daarbij hoe dan ook nog iets anders aan de hand zijn met de persoon in de kwestie.
Frits Bernard (1985) schrijft in dit verband:
"Wanneer iemand een artikel over niet-pedofiele
relaties tussen man en vrouw schrijft, legt hij niet de nadruk op de negatieve en uitzonderlijke gevallen. In het geval van pedofilie zijn de
meeste mensen echter bijzonder sterk geneigd om dat te doen, en plaatsen ze uitsluitend de negatieve kanten voor het voetlicht."
(Vertaald uit het Engels)
Het verbieden van elke vorm van niet-seksueel pedofiel contact moet daarbij dus op dezelfde soort niet-rationele mechanismen berusten als ik boven aangaf. Namelijk onder andere op de gedachte dat pedofiele gevoelens monsterlijk en niet beheersbaar zijn en vroeg of laat hoe dan ook tot seks (en daarmee misbruik) moeten leiden.
Anders gezegd: iedereen die seksuele gevoelens voor kinderen kent en ‘toch’ persoonlijke contacten met hen
aangaat, komt volgens deze denktrant op den duur een keer tot aanranding of verkrachting van kinderen.
Anders dan hetero’s of homo’s hebben pedofielen volgens dit beeld kennelijk altijd een ‘verborgen agenda’. Ook al hebben ze dat zelf in bepaalde gevallen niet goed door, ze zijn eigenlijk altijd alleen maar uit op seks. De rest is hoogstens een verleidingsspel [* 5] dat alleen om de (eigen) seksuele bevrediging gespeeld wordt, zonder oprechte genegenheid, betrokkenheid of liefde.
Deze uiterst negatieve vooroordelen worden voor zover ik weet niet onderbouwd door gedegen psychologisch of seksuologisch onderzoek, waarbij representatieve groepen mensen met pedofiele gevoelens die alleen platonische contacten met kinderen zeggen aan te gaan jarenlang gevolgd zouden zijn. Met ‘representatief’ bedoel ik in dit verband dat dit niet alleen veroordeelde ‘zedendeliquenten’ mogen zijn.
Totdat zo’n onderzoek anders zou uitwijzen, lijkt het mij psychologisch gezien bij voorbaat zeer
onwaarschijnlijk dat pedofiele gevoelens (in de zin van gevoelens van persoonlijke genegenheid voor concrete kinderen) ondanks een voornemen zich te beperken tot platonische relaties doorgaans toch leiden tot seksuele contacten, of dat seks het enige, eigenlijke of centrale doel van ‘pedofielen’ vormt in hun vriendschappen met kinderen.
Alleen een reductionistisch mensbeeld zoals dat van de Freudiaanse psychoanalyse zou het aannemelijk kunnen maken dat mensen in wezen altijd (direct of indirect) uit zijn op seksueel contact [*6]
.
Maar dat mensbeeld zou dan niet alleen van toepassing zijn op pedofielen, en het zou ook niet inzichtelijk maken waarom pedofielen minder mogelijkheden hebben tot het beheersen van hun seksuele driften dan anderen.
Psychiater Frank van Ree (2001) schrijft in dit verband:
"Geen enkele oriëntatie lijkt specifiek met agressiviteit te zijn verbonden. Het zijn niet de heterofilie, de
homofilie of de pedofilie die specifieke koppelingen zouden hebben met gewelddadigheden of andere criminaliteit, maar gewelddadigheid is een
persoonskenmerk, dat zich bij elke oriëntatie kan manifesteren."
De emancipatie van platonische pedofilie zou volgens mij moeten neerkomen op het onderkennen van het bestaan van onschadelijke, vrijwillige platonische pedofiele contacten of vriendschappen en vooral ook van hun recht van bestaan.
Onder platonische vriendschappen verstaan we hier dus relaties zonder fysieke seksuele aspecten of waarbij de volwassene zelfs helemaal
geen seksuele gevoelens voor de minderjarige vriend of vriendin koestert.
Het is zelfs mogelijk dat een specifieke volwassene (bijna) alleen in
amicale zin pedofiele gevoelens kent, namelijk persoonlijke, horizontale
vriendschapsgevoelens voor kinderen, en seksueel (bijna) uitsluitend op
volwassenen valt.
Zolang er niets kwalijks gebeurt binnen een platonische vriendschap en het
contact dus ook automatisch vrijwillig blijft vanuit het gezichtspunt van
het kind, is volgens mij niet in te zien waarom het toch nog beëindigd zou
moeten worden.
Er wordt nog wel eens vanzelfsprekend van uitgegaan dat
kinderen over het algemeen niet toe zijn aan een close band met een volwassene buiten de eigen familie, maar het is hoe dan ook onredelijk om
dat niet eerst per concreet geval te onderzoeken (Rivas, 2003). Ieder kind is immers verschillend en wat voor de één geldt, geldt daarmee niet zomaar
ook voor de ander.
Zelfs als kinderen werkelijk over het algemeen niet toe
zijn aan dergelijk platonisch contact - waar volgens mij geen goede aanwijzingen voor bestaan -, dan nog kenmerkt een deugdelijke
wetenschappelijke theorie zich onder meer door falsifieerbaarheid, dat wil zeggen dat ze altijd open moet blijven staan voor nieuwe feiten of
uitzonderingen. Een theorie die volgens haar aanhangers voortaan ‘af’ is en
nooit meer weerlegd of uitgebreid kan worden door nieuwe inzichten, is in
feite geen wetenschappelijke theorie meer, maar een onwrikbaar dogma en
wordt daarmee per definitie om buitenwetenschappelijke redenen gehandhaafd.
Mogelijke problemen die bij concrete contacten kunnen optreden, leveren geen
geldig argument op tegen contacten waarbij die problemen uitblijven.
Zo kan het, net als bij contacten tussen volwassenen onderling, in individuele
gevallen bijvoorbeeld voorkomen dat een bepaalde volwassene een kind
domineert, opzet tegen zijn of haar omgeving, of steeds weer belast met
zwartgallige overpeinzingen en onoplosbare persoonlijke problemen. Dit soort
gedragingen kunnen een goede reden zijn om het contact tenminste tijdelijk
te verbreken, maar ze leggen geen enkel gewicht in de schaal bij de
beoordeling van vriendschappen waarin dergelijk wangedrag volledig
ontbreekt.
Openheid en goede communicatie met het kind maken het mogelijk om
kwalijke van gewenste contacten te onderscheiden.
Een voorbeeld van een platonische vriendschap vanuit het perspectief van de
volwasen vriend (Rivas, 2003):
"Ik leerde Sander [pseudoniem] kennen toen hij net twaalf was. Hij was voor
mijn huis aan het tennissen met een leeftijdgenoot, toen hun bal onder een auto belandde. Bijna reflexmatig haalde ik hem onder de wagen vandaan en
gooide hem joviaal naar Sander. Dat brak het ijs en al gauw kwam hij bij mij
thuis om met me te praten, te kaarten, te schaken, naar muziek te luisteren en computerspelletjes te doen. Er was van beide kanten sprake van een zuiver
platonische band.
Sander bleek naast een vrolijke, speelse en open kant ook
veel problemen te hebben door zijn thuissituatie en praatte daar vaak over met mij. Andersom maakte ik hem ook deelgenoot van mijn eigen problemen met
buurtgenoten. De vriendschappelijke aantrekkingskracht tussen ons was
duidelijk wederzijds. Dit kwam ook tot uiting in ruzies die we vooral in de
beginperiode met elkaar hadden.
Sander had misbruik gemaakt van mijn vertrouwen en ik had aanvankelijk de neiging om met hem te breken. Toen we
elkaar allebei erg bleken te missen, hebben we het toch weer bijgelegd.
Er zijn zo verschillende situaties geweest waarin Sander duidelijk uitsluitend
uit vriendschappelijke motieven getracht heeft een conflict tussen ons op te
lossen. Ik bedoel daarmee dat hij zeker niet gedreven kon zijn door een financiële of materiële bonus. Inmiddels mogen we spreken van een
vriendschap tussen twee volwassenen. Net als in het begin gaat het om een horizontale vriendschap. We luisteren naar elkaar als gelijken en geven
elkaar raad en steun."
Pedagogische grenzen
Overigens is het bekend dat nogal wat ‘pedofielen’ ook in platonische
contacten eerder het gevaar lopen gemanipuleerd te worden door ontspoorde
kinderen of jongeren dan andersom.
Een pedagogisch risico dat hierbij aansluit is dat de minderjarige erg
verwend kan worden door de volwassene.
Edward Bongersma (1990) schrijft in deze context over relaties tussen mannen en jongens:
"Het echte risico bij pedofiele relaties met jongens ligt niet in de [vrijwillige] seksuele
activiteiten. Vanuit mijn eigen ervaring met pedofielen die op jongens vallen en hun jonge partners zou ik eerder zeggen dat het grootste gevaar
daarin bestaat dat de man zijn vriend verwent met cadeau’s (en later ook sigaretten, alcohol en andere drugs) en te toegeeflijk is wat betreft de
agressieve en destructieve impulsen van de jongen.
Een omgeving die te toegeeflijk is, is pedagogisch gezien funest [...] De pedofiel kan hierbij
vergeleken worden met de al te royale oom of de opa die zijn kleinkinderen verwent. Onverstandige verwennerij kan leiden tot een ontsporing van het
karakter, het aanmoedigen van de hebzucht van de jongen, jaloezie bij de ouders of de kwaadwillige aandacht van mensen om hem heen."
(Vrij vertaald uit het Engels).
Het is dus zaak dat de volwassene consequent duidelijke grenzen trekt en
zich niet teveel laat domineren door de minderjarige, zowel voor zijn
gezonde eigenbelang als in het pedagogische belang van het kind, en
feitelijk ook ten behoeve van de kwaliteit van de platonische vriendschap.
Emancipatie van vrijwillige en onschadelijke platonische relaties met
kinderen brengt hoe dan ook deze specifieke verantwoordelijkheid voor de
volwassene met zich mee; het is pedagogisch gezien onvoldoende dat een
vriendschap vrijwillig is.
Overigens zijn er voor zover ik weet zeer weinig verslagen gepubliceerd van
ervaringen met zuiver platonische intergenerationele vriendschappen met
minderjarigen (Rivas, 2003).
Ik wil de lezer hier dan ook oproepen om mij meer gevallen van positieve relaties van dit type te melden.
Erotische relaties
Nu we gezien hebben hoe men zich de emancipatie van pedofiele gevoelens en
platonische pedofiele relaties kan voorstellen, zijn we aanbeland bij wat
voor veel hulpverleners de kern van de pedofilie lijkt uit te maken: de
specifiek erotische en seksuele aantrekkingskracht tot minderjarigen.
Dit is wat pedofilie volgens hen zo pervers, zo monsterlijk en zo gevaarlijk maakt.
Erotiek en seks zouden namelijk per definitie ingaan tegen de belangen van
kinderen. Zelfs als kinderen al seksuele gevoelens zouden kennen, dan zouden
die in hun eigen belang ofwel direct gesublimeerd moeten worden of anders
uitsluitend gericht moeten worden op leeftijdgenoten, bij wijze van een
soort exploratie binnen duidelijk omschreven grenzen.
Leeftijdverschil zou voorts volgens velen per definitie een probleem zijn
bij seksueel contact. In deze visie spreekt de jongere de oudere vooral of
zelfs uitsluitend seksueel aan, getuige zegswijzen als ‘een oude bok die nog
graag een groen blaadje lust’. Het zou in feite tegennatuurlijk zijn als de
jongere op de avances van de oudere ingaat, omdat alleen de laatste daar wel
bij kan varen.
Bij pedofiele erotische contacten zou het volgens dit beeld – naast
uiteraard om onverbloemd misbruik - zo ook steeds om eenzijdige,
narcistische relaties gaan, waarin het kind de illusie kan hebben dat de
volwassene echt om hem of haar geeft, terwijl de pedofiel het kind eigenlijk
alleen beleeft als een seksueel gebruiksvoorwerp.
Ook intellectuelen die geen moeite hebben met relaties tussen volwassenen met een groot
leeftijdsverschil en dus bijvoorbeeld niet gauw zullen spreken van ‘een oude
viezerik’ wanneer een oudere man met een jonge vrouw trouwt, kunnen als het
ware automatisch op die manier tegen een pedofiele relatie aankijken.
Ook hierbij geldt weer dat pedofilie in ieder geval impliciet doorgaans
wordt gezien als een uitsluitend seksueel verschijnsel. Dat wil zeggen dat
zelfs in erotische relaties die de volwassene en de minderjarige zelf
beleven als liefdesrelatie of erotische vriendschap, het seksuele aspect als
het enige echte doel van de volwassen partij wordt beschouwd.
Het probleem hierbij is opnieuw dat we te maken hebben met een vooroordeel
tegen pedofilie dat alleen rationeel zou zijn indien alle soorten erotische
relaties per definitie uitsluitend of tenminste primair om de seks (als
fysieke daad) draaien.
Het ligt psychologisch helemaal niet voor de hand dat
pedofiele erotische relaties per definitie zuiver egoïstisch gericht zijn op (het eigen) seksueel genot. Zo werkt het immers ook niet bij andere
erotische oriëntaties, dus waarom dan wel opeens bij pedofilie? (Van Ree, 2001)
Gieles (1995) schrijft hierover:
"Ga niet seksualiseren wat niet als
zodanig bedoeld en beleefd is."
Een antwoord dat je wel eens hoort, is dat een verlangen (bij volwassenen)
naar seksueel contact met niet geslachtsrijpe kinderen of kinderen van
hetzelfde geslacht in ieder geval een ‘stoornis’ van de seksuele
ontwikkeling in biologische zin moet zijn.
Puur reproductief beschouwd mag dit inderdaad zo zijn, maar dan ook alleen wat betreft het doorgeven van de
eigen genen via de voortplanting. Seksualiteit heeft namelijk reeds bij andere primaten niet alleen een reproductieve, maar ook een recreatieve en
relationele functie. De laatste kunnen uiteraard ook vervuld worden bij
voorkeuren die niet tot voortplanting kunnen leiden, zoals homoseksualiteit
(Rivas, 2001).
Nog belangrijker is echter het gegeven dat we mensen zijn, en dat de
biologie in fysieke zin dus nooit zomaar een maatstaf voor ons handelen kan
zijn waar we ons blind aan dienen te houden. We denken na over het leven,
dragen kleding, maken kunstwerken of muziek, en we kunnen zo ook besluiten
om een fenomeen te omarmen zonder dat dit een reproductief nut heeft voor
onze genetische ‘fitness’ en ons zelfs bewust kinderloos laten steriliseren.
Een ‘ontwikkelingsstoornis’ in de zin van een ontwikkeling die afvoert van
het socio-biologische doel van de voortplanting, hoeft dus nog helemaal geen
psychologische persoonlijkheidsstoornis op te leveren. De psychologische
ontwikkeling van de persoonlijkheid dient niet te worden genormeerd aan de
hand van een ‘biologisch’ welslagen (voortplanting) maar van grootheden als
persoonlijke ontplooiing, evenwicht, zelfbeschikking, verantwoordelijkheid
en individuatie.
In de specifiek psycho-seksuele zin heeft het evenmin zin om
al direct over stoornissen te spreken zodra iemand seksueel niet gericht is op een relatie met een vruchtbare partner van het andere geslacht. Ik heb
over psychoseksuele gezondheid elders zelf al eens geschreven:
Psycho-seksuele gezondheid zou men kunnen herdefiniëren als: ‘een omgang met
seksualiteit die overeenkomt met persoonlijke verlangens en waarden, en daarbij niet gepaard gaat met schuldgevoel, angsten of haat.’
(Rivas, 2001)
Hierboven heb ik al genoegzaam benadrukt dat het niet aannemelijk is dat
pedofiele platonische contacten alsnog ‘eigenlijk’ om de seks draaien, en ik
wil hier hetzelfde benadrukken in verband met erotische contacten.
Seksuele gevoelens voor kinderen zijn vanuit een biologisch oogpunt van voortplanting
niet wezenlijk nuttelozer dan homoseksuele of lesbische gevoelens voor een volwassen partner of zelfs heteroseksuele gevoelens voor een onvruchtbare
partner. Ze kunnen verder afstaan van de eigen gevoelens van mensen zonder
pedofiele inslag, maar dat is geen goed, rationeel argument om ze als
wezenlijk ‘monsterlijker’ te beschouwen.
We hebben a priori geen reden om te veronderstellen dat seksuele contacten met kinderen psychologisch gezien
alleen al daarom kwalijk zijn omdat ze ‘tegennatuurlijker’ zouden zijn dan
andere afwijkingen van het patroon ‘heteroseksueel contact met een geslachtsrijpe, vruchtbare partner’.
De redenering dat pedofielen die seks met kinderen hebben die kinderen
per definitie alleen als lustobject beschouwen, gaat bovendien mank omdat er geen intrinsiek, logisch verband
bestaat tussen het feit dat seksuele gevoelens voor kinderen meer of minder afwijken van de biologische voortplantingsnorm dan andere oriëntaties
enerzijds en anderzijds de manier waarop pedofielen uiteindelijk met
kinderen omgaan binnen een seksuele band (Van Ree, 2001).
‘Kinderen zijn er niet aan toe’
Naast de drogredenering dat seks met kinderen ‘onnatuurlijk’ is en dus
gevaarlijk (de pedofiel is per definitie ‘ziek’ en dus kan ook zijn
opstelling jegens kinderen alleen maar ‘morbide’ zijn) , wordt er vaak nog
een ander argument geleverd.
Dit is het ontwikkelingspsychologische argument, namelijk dat
seks van een volwassene met kinderen niet overeenkomt met wat een kind zelf wil of kan verwerken. Het is in strijd met hun
psycho-seksuele gezondheid en als een kind niet verkracht wordt, zal de verleiding uiteindelijk hoe dan ook leiden tot een verwrongen,
problematische seksuele of ruimer emotionele beleving of identiteit.
Dit is - in tegenstelling tot veel andere uitspraken over pedofilie – een serieuze
stelling die het waard is nader onderzocht te worden.
Wat meteen opvalt is dat ze erg algemeen en vaag geformuleerd is. Allereerst is ieder kind
verschillend, zowel qua persoonlijkheid, als qua ontwikkeling. Wat voor het
ene kind geldt kan men dus niet zomaar overplanten op het andere kind
(Sandfort, 1988b).
Zelfs leeftijdscategorieën zijn in dezen te generaliserend. Het ene kind wil bijvoorbeeld al op haar 13e dolgraag met
een leeftijdgenoot naar bed, terwijl een ander daar op zijn 18e nog lang niet op uit is. Ook hiervoor geldt in ieder geval dat het waar kan zijn dat
een kind binnen een concreet seksueel contact met zaken geconfronteerd wordt waar het niet aan toe is, maar dat je dat slechts per geval kunt
vaststellen. Het optreden van handelingen die niet passen bij de beleving
van een individueel kind heeft geen implicaties voor relaties waarin de
beleving van de minderjarige wél volledig wordt gerespecteerd.
In ieder geval weten we al decennialang dat er erotische pedofiele contacten
en relaties voorkomen die door de betrokken kinderen in hun totaliteit als
wenselijk worden beleefd. Ik bedoel daarmee niet dat ze in alle opzichten
ideaal zijn, maar wel dat ze als geheel zeker als vrijwillig en positief
worden ervaren door de minderjarige, en dat er in zijn of haar ogen hoe dan
ook geen sprake is van seksueel misbruik.
Eén van de bekendste onderzoekers op dit gebied was ongetwijfeld Dr. Theo
Sandfort van de Rijksuniversiteit Utrecht. Hij onderzocht kinderen binnen
vrijwillige pedofiele relaties en kwam daarbij tot de conclusie dat zij die
relaties veel vaker dan algemeen geloofd werd zelf als positief en gewenst
ervoeren.
Hij schrijft onder meer (Sandfort, 1983, blz. 14):
"Het beeld dat op basis van de verhalen van de meisjes en de jongens ontstaat wijkt nogal
af van hoe er doorgaans in ‘wetenschappelijke’ literatuur over seksuele contacten tussen volwassenen en kinderen geschreven wordt.
A-priori uitgaand van misbruik en exploitatie heeft men het daar over slachtoffers en
daders. Dat er kinderen slachtoffer worden van seksueel misbruik staat buiten kijf;
de ernst en de frequentie ervan worden mogelijk onderschat. Hiertegenover staan de verhalen van deze meisjes en jongens. [...]
Waar het om gaat is dat er überhaupt meisjes en jongens zijn met andere dan misbruik- en
exploitatie-ervaringen. Wanneer men op de een of andere manier met pedofilie
of met seks tussen kinderen en volwassenen te maken krijgt, doet men er goed
aan daar rekening mee te houden."
Vrijwilligheid
Bij vrijwillige erotische pedofiele relaties hebben we te maken met relaties
die in de alledaagse zin vrijwillig zijn aangegaan door het kind. Ze zijn in
dit opzicht bijvoorbeeld net zo vrijwillig als de vriendschappen die
kinderen onderling aan kunnen gaan.
In discussies over vrijwillige relaties voeren tegenstanders van emancipatie
van pedofiele contacten nog wel eens aan dat een vrije keuze om een seksuele
relatie aan te gaan de volgende elementen zou moeten omvatten:
- (a) een volledig besef van alle korte- en langetermijngevolgen van de relatie,
- (b) duidelijkheid over welke seksuele activiteiten of partners men wenst en
- (c) controle over de situatie zodat men zich er desgewenst elk moment aan kan
onttrekken (Sandfort, 1988b; O’Carroll, 1980).
Hier wordt door verdedigers van de acceptatie van vrijwillige pedofiele erotische relaties tegen
ingebracht dat de twee eerste elementen vaak ook ontbreken bij vrijwillige relaties die volwassenen of minderjarigen onderling aangaan. Alleen het
derde element is echt van belang bij de beoordeling van die andere relaties,
dus waarom zou dit opeens anders moeten liggen bij pedofiele relaties?
Brongersma zegt hierover:
"Het punt is dat wanneer aan de voorwaarde van
vrijwillige instemming is voldaan, de spelregels opeens worden veranderd en de instemming niet langer van belang is: de pedofiel kan gewoon niet winnen."
(vertaald uit het Engels).
Tom O'Carroll (1980) wijst erop dat dit te maken moet hebben met de gedachte
dat seksuele activiteit als zodanig hoe dan ook zo gevaarlijk is voor
kinderen. Daardoor moeten ze doordrongen zijn van alle gevaren die seks
oplevert voor hun ontwikkeling alvorens ze kunnen besluiten ermee in zee te
gaan.
Men zou dit in een Nederlandse setting misschien kunnen vergelijken
met het roken van een joint. Zeker jonge kinderen hebben geen idee van de
mogelijke gevolgen van blowen voor hun gezondheid en daarom is het immoreel
om hen daarin vrij te laten.
O'Carroll stelt terecht dat kinderen, zodra je weet dat
seks als zodanig niet schadelijk is voor iemands psychische gezondheid of ontwikkeling, niets hoeven te weten van de consequenties (van
de seksuele handeling zelf), omdat die gevolgen in elk geval niet negatief zullen zijn.
In zijn eigen woorden:
"Sex, especially the non-penetrative sex play to which child-adult activity is almost entirely confined in the case
of younger children (i.e. those children of whom it can most readily be said
that 'They don't know what they are doing'), is not in itself remotely dangerous; unlike playing in a busy road. Nor do children need firm
ideas of what a particular new experience will be like, any more than do adults trying, say, '69' for the first time: the activity may prove more, or
less, exciting than they suppose, but as it is completely harmless there is no reason why it cannot be safely explored."
Zijn kritiek geldt uiteraard ook voor criterium (b), zodat de vrijwilligheid
teruggebracht wordt tot criterium (c), dat gewoon overeenkomt met
vrijwilligheid in de alledaagse betekenis.
Theo Sandfort (1988b) schrijft over dwang terecht:
"Wanneer machtsmisbruik het criterium is om van seksueel misbruik te spreken, moet eerst bekeken
worden of bij een specifiek contact van machtsmisbruik sprake is, voordat dat contact als seksueel misbruik beschouwd kan worden. De aanwezigheid van
machtsverschillen tussen twee personen is als zodanig onvoldoende grond om dat contact
a priori als misbruik te beschouwen."
Een volgend punt van tegenstanders luidt dat het kan gebeuren dat een kind
aanvankelijk niet door heeft dat de volwassene seksuele bedoelingen had en
zich vervolgens niet meer uit de relatie durft terug te trekken.
Edward Bongersma (1990) stelt echter terecht dat het helemaal niet moeilijk is voor
een volwassene om vast te stellen of een kind hem of haar echt vertrouwt en
open is over de eigen wensen. Daarmee beschouwt hij het dus niet alleen als
ondeugdelijk argument tegen erotische relaties, maar hij benadrukt expliciet
dat iedere volwassene bij pedofiele relaties die over de grenzen van
kinderen heen gaat veroordeeld moet worden.
Het excuus dat men werkelijk dacht dat het kind instemde met bepaalde ongewenste seksuele handelingen,
wordt door Brongersma dus bij voorbaat verworpen. Natuurlijk kan het voorkomen dat een kind gesloten, onzeker of verlegen is, maar zolang een
volwassene niet weet wat dat kind zelf wil, moet hij of zij zich gewoon van
alle seksuele handelingen met het kind onthouden.
Of, in Brongersma’s eigen woorden:
"Het kind heeft het recht op een negatieve houding, of dat nu is
omdat hij of zij werkelijk bang is voor sex, of omdat hij of zij niet valt op de pedofiel in kwestie of hem niet mag, of om een andere reden."
(vertaald uit het Engels).
Vrijwillige erotische relaties zonder schadelijke gevolgen
Inmiddels weten we uit diverse onderzoeken van onder andere
- Bernard (1975, 1977, 1985),
- Sandfort (1983, 1988a, 1988b),
- Baurmann (1983) en
- Rind, Tromovitch en Bauserman (1998a, 1998b)
dat er vrijwillige erotische pedofiele relaties bestaan die ook op latere leeftijd geen kwalijke gevolgen
hebben.
Dit gegeven toont aan dat er geen intrinsiek verband kan bestaan
tussen de vrijwillige sex in deze relaties en eventuele psycho-seksuele (of algemener psychologische) schade op langere termijn. Zoals we zojuist zagen,
is deze bevinding van groot belang voor de beoordeling van de kwestie van de vrijwilligheid.
Als er dus wel schade optreedt op latere leeftijd, dan moet dit met andere
factoren samenhangen, zoals de negatieve reacties van de omgeving die leiden
tot schuldgevoelens en verwarring bij het kind.
Natuurlijk is het van belang dat dit soort factoren nader in kaart worden
gebracht.
Het is bijvoorbeeld goed denkbaar dat vrijwillige
(intergenerationele) incestueuze relaties, d.w.z. relaties die op het moment zelf (door het kind) als vrijwillig worden beleefd, later toch bijna altijd
tot schade leiden, namelijk niet door de sex als fysieke daad zelf, maar doordat ze achteraf verwarrend zouden uitpakken voor het kind.
Maar zelfs dit mogelijke feit mag men rationeel gezien niet zomaar als bekend of
vanzelfsprekend veronderstellen (Nelson, 1981), omdat rationeel gezien nu
eenmaal bijna niets vanzelfsprekend is. Dit vormt zelfs de belangrijkste reden voor wetenschappelijk onderzoek.
Bovendien kan een over het geheel genomen vrijwillige erotische relatie belangrijke aspecten bevatten die niet overeenstemmen met de wensen van het kind. Dit
kan tot gevolg hebben dat een kind akkoord gaat met bepaalde seksuele handelingen waar het
eigenlijk geen trek in heeft, weliswaar niet uit angst, maar wel alleen om de volwassene een plezier te doen.
Het blijft daarom ook binnen een vrijwillige relatie van belang dat het initiatief tot seksuele
handelingen volledig bij het kind ligt, zodat dit de regie in handen houdt
in harmonie met zijn of haar psycho-seksuele ontwikkeling en specifieke
persoonlijkheid en voorkeuren. Met initiatief bedoel ik hier in elk geval
dat het kind steeds bepaalt of een bepaalde seksuele handeling daadwerkelijk
wordt verricht, ook als de volwassene uiteindelijk begint met die handeling.
De volwassene dient niet met seksuele handelingen te beginnen zonder dat het
kind eerst kenbaar maakt die op prijs te stellen.
Hieronder enkele voorbeelden van vrijwillige pedofiele relaties zonder
schade op langere termijn.
Het gaat dus uitdrukkelijk niet om (in belangrijke opzichten) onvrijwillige pedofiele relaties die later niet of
nauwelijks schade opleverden. Soms hoort men nog wel eens dat het “allemaal wel meevalt met die schadelijke gevolgen.” Dit is echter een totaal
onbruikbaar argument voor de emancipatie van pedofilie.
De vraag luidt inderdaad niet alleen of het contact nu vrijwillig is, maar ook of het later
geen schadelijke gevolgen heeft. Dit wil echter natuurlijk geenszins zeggen
dat het contact ook op het moment zelf best in een belangrijke mate
onvrijwillig mag zijn, zolang het over tien jaar maar geen ernstige
schadelijke gevolgen meer heeft. Als dat wel zo was, dan zou het aanrichten
van elke vorm van leed die later geen ernstige consequenties meer zou
hebben, moreel toelaatbaar moeten worden geacht.
Een variant hierop is de gedachte dat je kinderen best hard mag slaan of pesten als je er maar voor
zorgt dat ze er niet of nauwelijks door getraumatiseerd zullen worden.
Pedofiele contacten enkel vanuit de gedachte dat seks met kinderen sowieso
meestal weinig kwaad kan, toe willen staan, is dus niet alleen onverkoopbaar, maar ook immoreel.
Nog een methodische opmerking vooraf:
Het gaat hierbij om een terugblik op een relatie die een volwassene vroeger als kind onderhield met een
meerderjarige man of vrouw. Van veel verslagen is het voldoende aannemelijk tot zelfs erg aannemelijk dat ze
authentiek zijn, omdat de betrokkene er geen belang bij kan hebben gehad het verhaal te verzinnen. De persoon heeft dan
bijvoorbeeld zelf geen pedofiele oriëntatie of het is ook bij derden bekend
dat er zo'n positieve relatie heeft bestaan.
Uiteraard hebben we altijd te maken met zelfrapportage en reconstructie, maar dit geldt evengoed voor
case studies van echt misbruik, waar immers ook zelden of nooit iemand van buiten
getuige van is tijdens het delict zelf. Het is dus niet billijk om alle
positieve ervaringen bij voorbaat om methodische redenen naar het rijk der fabelen te willen verwijzen, tenzij men hetzelfde wil doen met
retrospectieve verslagen van (onvrijwillig) seksueel misbruik.
Voorbeelden
- Een geval van een relatie tussen een man en een
jongen
Joop, een man van 37 jaar reageerde in november 1996 op een oproep van mij en deed schriftelijk
en telefonisch verslag van een relatie die hij vanaf zijn 13e onderhield met
een volwassen man genaamd Jos.
Hij omschrijft de band met Jos als: een relatie, waarin ik veel liefde en aandacht kreeg, want wat is er mooier voor
een kind dan bij een ouder iemand in de belangstelling te staan. Na een tijdje gingen we samen de stad in, kochten elpees, kleren, en pikten een
restaurantje. Vaak bleef ik overnachten. Jos was voor mij een vader, vriend
en broer tegelijk.
Het zal najaar ’73 zijn geweest toen we voor het eerst
met elkaar naar bed gingen. De liefde die ik van deze man kreeg, het gevoel bemind te worden, was zoiets overweldigends, zoiets moois; je moet het
hebben meegemaakt om erover te kunnen praten.
Jos ging nooit te ver; als ik iets niet wilde dan hield hij er ook
onmiddellijk mee op.
De relatie duurde vier jaar. Zelf heb ik aan den lijve mogen ondervinden hoe fijn en
verrijkend het was. Wat betreft uw vragen kan ik zeggen dat ik op de eerste
plaats op geen enkele wijze ben gedomineerd door mijn oudere vriend. Het was
zo dat ik kwam wanneer ik wilde, en hoe vaak.
Bij mij duurde het ongeveer een half jaar voordat we samen onder de douche gingen, en daarna naar bed.
Ik was net geslachtsrijp, en dan ben je al gauw geneigd tot experimenteren. Jos heeft dit goed ingeleid door het niet meteen op pure seksuele
handelingen te laten aankomen, zonder erbij uit te leggen wat ik moest doen,
en hoe ik het beste tot een orgasme kon komen. Eigenlijk was het meer
voorlichting over de werking van mijn lichaam dan alleen maar seks. Zo'n
relatie verhoogt je eigenwaarde en geeft je eerder een voorsprong op je
leeftijdgenootjes dan een achterstand.
Jos claimde Joop ook niet en Joop mocht helemaal een kind blijven van hem.
Joop raakte dus ook helemaal niet geïsoleerd door zijn relatie met Jos. Er
werd nooit druk op gezet, ook al kwam Joop wekenlang niet opdagen. Vriendjes
werden net zo belangrijk gevonden door Jos, of misschien zelfs wel
belangrijker. Jos en Joop maakten ook fietstochten met elkaar en gingen
samen zwemmen.
De ouders van Jos hadden geen bezwaar tegen de relatie, hoewel zijn moeder
aanvankelijk wel kritisch was. Zij zei ook: ‘Ga niet teveel over de vloer
bij Jos.’
De aanleiding voor het contact was trouwens dat Jos de fiets van Joop
repareerde. De ouders van Joop waren katholiek, en wisten niet dat Jos en
Joop met elkaar sliepen. Ze dachten dat ze in aparte kamers sliepen.
Overigens had Joop zelf ook geen zin om zijn ouders over de seksualiteit te
vertellen. Hij had wat dat betreft veel behoefte aan privacy, het was zijn
lijf.
- Nog een geval van een man met een jongen,
beschreven door Rind, Tromovitch en Bauserman (1998), in hun eigen bewoordingen:
“Het voorbeeld is afkomstig uit het onderzoek van
Tindall, gepubliceerd in 1978. Hij bracht 200
gevalsanalyses van jongen-man relaties bijeen, waarbij hij zich baseerde op
interviews die hij in de loop van enkele tientallen jaren had afgenomen in
het kader van zijn werk als schoolpsycholoog. Tindall zou veel van deze
jongens ook in hun volwassen jaren blijven volgen.
Denver was naar mij verwezen toen hij 13 jaar oud was; hij had deelgenomen
aan vernielingen van een school en was daarna van huis weggelopen. Hij was
hoog-gemiddeld begaafd en zijn schoolprestaties waren op niveau. Hij had
veel belangstelling voor machines en techniek.
Denver kwam in de puberteit toen hij 14 was. Op zijn dertiende had hij
kennis gemaakt met wederzijds masturbatie met vriendjes die seksueel iets
verder ontwikkeld waren. Toen hij 14 was bracht hij veel van zijn tijd door
bij een garage, waar hij een gediplomeerd monteur leerde kennen, een
veertiger, getrouwd en kinderloos.
Deze monteur en Denver vonden elkaar in hun hobby's. Op een vistochtje begonnen zij, in een pauze op een eiland,
over seks te praten, hetgeen leidde tot fellatio bij Denver en tot masturbatie van de monteur door Denver. In de vijf jaren daarna vond
wederzijdse fellatio twee of drie keer per week plaats.
De seksuele activiteiten met de monteur eindigden
toen Denver 19 was, maar er bleef een hechte relatie tot aan de dood van de monteur toe.
Denver is nu 44 jaar. Hij is getrouwd geweest en is vader van twee zoons.
Van zijn eerste vrouw raakte hij gescheiden en hij voedde de jongens op. De
een ging studeren en de ander naar een technische opleiding. Denver is
hertrouwd en heeft 20 jaar als gewaardeerd monteur gewerkt bij een firma.
Hij heeft nu een leidinggevende positie. Hij meent dat de relatie met zijn
monteur-vriend hem geholpen heeft om dit te bereiken. Hij zegt dat hij een
dergelijke relatie voor zijn zoons zou waarderen, als die er was geweest.
Hij vertelt geen aandrang te hebben tot seks met mannen sinds hij ongeveer
20 jaar was.”
- Een geval van een man met een meisje:
Gertjan Cobelens beschreef in 1992 de relatie van het meisje Koekie met haar vriend Ben. Het meisje was 11 jaar
toen ze elkaar ontmoetten tijdens een soort rondtrekkende culturele manifestatie tegen kernwapens in 1982. De volwassen Ben werd daarbij
verliefd op Koekie.
Na een tijdje raakten ze met elkaar aan de praat en
Koekie vond zijn aandacht meestal wel leuk, maar soms werd het haar wat te veel en dan wilde ze dat hij haar even met rust liet. Koekie vond het
opwindend dat een ouder iemand zo gek op haar was en met haar en haar vriendinnen wilde spelen. Ze voelde zich veilig bij hem. Ze voelde ook een
soort erotische spanning als ze samen gingen wandelen.
Na afloop van de manifestatie bezocht Ben haar thuis en daarbij hadden ze
een ‘lichte’ vorm van erotisch contact met elkaar. Ben stuurde haar veel
brieven en bandjes waarin hij haar vertelde hoe verliefd hij op haar was en
waarom.
Koekie kreeg af en toe een beetje teveel van al zijn uitleg en na
een jaartje besloot ze dat de relatie te serieus was geworden naar haar smaak. Ze verscheurde zijn brieven en bewaarde enkel nog zijn bandjes.
In 1984 was Koekie desondanks dolblij om Ben weer te zien bij de jaarlijkse
manifestatie. Ze sliepen weer bij elkaar, en Koekie geeft toe dat ze
werkelijk halsoverkop verliefd op hem werd toen ze ongeveer 13 was. Helaas
was Ben inmiddels niet meer verliefd op haar en het kostte Koekie veel
moeite om hier overheen te komen. Pas toen ze 17 was gingen Ben en Koekie
‘echt’ met elkaar naar bed, maar zonder dat er nog sprake was van
verliefdheid bij één van hen.
Hoewel Koekie de voortdurende zorgen en twijfels van Ben over de relatie
vervelend vond en ook gewild had dat hij eens echt kwaad op haar was
geworden als ze ruzie hadden, concludeert ze toch dat de relatie een mooi
verhaal is. Ze is over het algemeen tevreden met de manier waarop dingen
gelopen zijn en is nog jaren heel close bevriend geweest met Ben, en noemde
hem zelfs haar beste vriend.
- Nog een geval van een man met een meisje:
Op een internet-site van ene John Katz, die zelf duidelijk tegen pedofilie is.
Het bericht is gedateerd 16 oktober 1997 en te vinden onder het kopje "Some Unexpected
Emails". Het gaat om een tienermeisje dat zichzelf Kathy noemt en bijna 18 was toen ze het bericht verzond.
U moet weten dat ik gedurende enkele jaren een echte relatie heb gehad met een oudere man, iemand van achter in de
dertig die ik via internet had ontmoet. Ik denk dat hij wettelijk gezien zou gelden als een verkrachter en misdadiger. Mijn ouders zouden hem zeker zo
noemen. En ik denk de politie ook. Hij zou levenslang kunnen krijgen voor zijn ontmoetingen met mij, omdat hij met me gevreeën heeft.
Maar hij is iemand van wie ik veel gehouden heb. Hij is
geweldig tegen me geweest,
teder en lief, en hij heeft me nooit ergens toe gedwongen. Hij heeft me
dingen geleerd en boeken gegeven. Hij was altijd degene die zei dat het
misschien niet zo'n goed idee was, dat we misschien moest stoppen, dat we
misschien moesten wachten. Maar ik denk dat dat niet zo was.
Ik denk dat deze relatie me heeft geholpen, dat het misschien zelfs mijn
leven heeft gered. Ik weet dat de relatie waarschijnlijk niet voortduurt,
maar ik heb besloten om u te schrijven, omdat het er in mijn wereldje
allemaal zo zwart-wit uitziet.
Die kerel in New Jersey die gearresteerd werd lijkt een echte griezel te zijn die kinderen achterna zat. Hij moet de bak
in. Maar niet alle ontmoetingen tussen oudere en jongere mensen zijn verschrikkelijk, en mensen moeten onderscheid kunnen maken tussen
verschillende soorten ontmoetingen.
John Katz weet zelf als tegenstander niet goed wat te denken van dit verhaal.
- Een geval van een vrouw met een meisje:
Beth Kelly, een radicale feministe schrijft over haar relatie als kind met een vrouw:
De eerste vrouw van wie ik in seksueel opzicht hield was mijn oud-tante; onze gevoelens voor elkaar
waren diep, sterk en volledig. Zij was meer dan 50 jaar ouders dan ik, maar dat had geen gevolgen voor de band die tussen ons groeide. En ja, ik wist
wat ik deed elke stap die ik zette, ook al had ik op dat moment nog niet
zoveel worden geleerd waarmee men over deze dingen praat.
Tante Addie was een dynamische, intelligente en creatieve vrouw die haar hele leven lang
weigerde om gekoeioneerd te worden door conventies. Binnen een grote familie
waarin vrouwen netjes de ‘traditionele’ rol van huisvrouw speelden, stak zij
boven iedereen uit, als een baken van onafhankelijkheid en kracht. Zij was
verpleegster in Frankrijk geweest tijdens de Eerste Wereldoorlog, had
gereisd, boeken gelezen en had 20 jaar lang een monogame relatie onderhouden
met een andere vrouw. De dood van haar geliefde vond ongeveer twee jaar voor
het begin van onze sexuele relatie plaats.
Maar we waren altijd al close geweest en hadden elkaar al vaak gezien.
Tijdens zomervakanties waren we elke dag bij elkaar, omdat mijn moeder,
broer en ik zelf dan altijd in haar huisje aan zee logeerden. Gedurende
andere jaargetijden, kwam ze ons altijd met haar auto bezoeken, waar we op
dat moment ook woonden, en vaak bleef ze dan wel een maand of langer bij
ons. [...]
Ik aanbad haar; dat is waar het om ging. Ik had thuis nooit
geleerd dat heteroseksuele handelingen of andere lichamelijke functies vies of verboden waren, en ik had behoorlijk weinig contact met andere kinderen
zodat mij de gebruikelijke seksistische socialisatie zoals die door spel wordt aangeleerd bespaard is gebleven [...]
Ik weet daarentegen wel zeker dat ik me nooit onder druk gezet of gedwongen heb gevoeld door de
seksuele aspecten van de liefde die ik voor haar voelde. Ik denk dat ik zeker kan
zeggen, zo'n 20 jaar na dato, dat ik nooit ook maar een beetje ben uitgebuit door haar, niet in fysiek opzicht, en ook niet emotioneel of intellectueel.
(Sax & Deckwitz, 1992; O'Carroll, 1980)
- Nog een geval van een vrouw met een meisje,
van de [inmiddels verdwenen - JON] website Butterfly
Kisses (geheel gewijd aan liefde tussen vrouwen en meisjes):
Lola getuigt van haar liefdesrelatie die nu zij volwassen is nog steeds bestaat:
Toen ik 13 was werd ik hopeloos verliefd op een van de ouders zussen van mijn
vriendin, die in die tijd 29 was. Ze zag er erg mooi uit en was de zorgzaamste, meest gevoelige persoon die ik ooit had ontmoet. Het een leidde
tot het ander en we kregen uiteindelijk een serieuze relatie met elkaar.
Op een dag waren we wat aan het rotzooien in mijn slaapkamer bij ons thuis, we
hadden een kussengevecht maar het eindigde ermee dat we bloot waren... en de
rest mag je er zelf bij denken. Maar toen kwam mijn moeder naar binnen
gewandeld en ze trof ons samen aan. Ze was er niet zo blij om en gooide me
het huis uit. We hebben ieders ongelijk aangetoond en we hebben ook een kind
samen van een draagmoeder. We zijn nog steeds gelukkig met elkaar net zoals
we al die jaren geleden waren.
- Een geval van een vrouw met een jongen:
De Amerikaanse schooljuffrouw Mary Kay Letourneau ging een verboden seksuele relatie aan met een vroegrijpe
13-jarige jongen genaamd Vili Fualaau, waardoor ze veroordeeld werd tot gevangenisstraf. Toen de relatie werd ontdekt, beweerde de jongen verliefd
te zijn op Letourneau en op haar te willen wachten tot zij terug zou keren uit de gevangenis.
Op 22-jarige leeftijd trouwde Fualaau met haar en
inmiddels hebben ze samen een gezin met twee kinderen. De jongeman had op het moment waarop het stel met elkaar trouwde geen werk en hij had ook de
middelbare school niet afgemaakt.
De media legden meestal een link met de ‘tegennatuurlijke’ relatie met
Letourneau, in plaats van met haar
veroordeling, detentie en jarenlange scheiding van de jongen. (Onder andere gebaseerd op een nieuwsbericht op CNN.com gedateerd 21 mei 2005)
*Zie ook
Beschouwing
Wat opvalt aan dit soort gevallen is dat volwassenen klaarblijkelijk
vrijwillige erotisch relaties kunnen aangaan met zowel (bepaalde) jonge
kinderen van onder de 12 jaar als met oudere kinderen, en zowel met jongens
als met meisjes.
Dit weerlegt de veronderstelling dat relaties met jonge
kinderen of meisjes per definitie onvrijwillig zijn (Okami, 1991). Een van
de bovenstaande gevallen, dat van Beth Kelly, betreft voorts zelfs een relatie met een oud-tante en is dus in de letterlijke zin incestueus.
Het gaat kennelijk niet om de leeftijd of het geslacht als zodanig, maar om
de vraag of de volwassene rekening houdt met het individuele kind en
natuurlijk op de eerste plaats of de relatie vrijwillig is, juist ook in de
erotische aspecten (Gieles, 1997).
Als later onverhoopt zou blijken dat de specifieke vormen van erotiek niet zo prettig aanvoelden doordat ze niet
overeenkwamen met de persoonlijkheid of voorkeuren van het kind, dan kan de minderjarige in ieder geval niet
[* 7] het gevoel krijgen ertoe
gedwongen of verleid te zijn, en in die zin dus ook niet emotioneel of psycho-seksueel geschaad worden. Ontwikkelingspsychologische schade door de
seks zelf is dan, zoals Tom O’Carroll aangeeft, uitgesloten. De onplezierige
seks is dan net zo onschuldig als een spel dat je niet aanstaat of een gerecht dat je niet zo lekker vindt.
De emancipatie van vrijwillige pedofiele relaties zal er veel baat bij
hebben als dit soort ervaringen beter bekend werden bij een ruimer publiek.
Daarbij moet de emancipatie uiteraard alle soorten vrijwillige relaties
omvatten, dus zowel met oudere kinderen als met jongere kinderen en zowel
met jongens als met meisjes. Van een emancipatie van erotische relaties
hebben niet alleen de relaties zelf en de volwassen vriend of vriendin
profijt, maar uiteraard ook de betrokken kinderen die vrijwillig de relatie
met de volwassene aangaan.
Het kan natuurlijk ook geen kwaad als men nog veel meer dergelijke
ervaringen probeert te verzamelen, waartoe ik de lezer dan ook graag wil
oproepen.
Wat je vaak nog hoort, is dat seksuele relaties met volwassenen het
‘natuurlijke’ ontwikkelingspatroon van jeugdigen op erotisch gebied
verstoort. Dit is echter alleen waar als men relaties met pedofielen zelf
niet rekent tot de natuurlijke (en als zodanig neutrale) variaties van de
seksuele ontwikkeling.
Bovendien is niet in te zien wat voor inherente kwalijke gevolgen een
vrijwillige ‘afwijking’ van het gangbare patroon zou moeten hebben, d.w.z.
los van eventuele negatieve reacties uit de omgeving en de daarmee
samenhangende verwarring. Het kind zou eenvoudigweg andere positieve
ervaringen hebben opgedaan op seksueel gebied dan gemiddeld, waar het
uiteindelijk vooral zijn of haar voordeel mee kan doen, ongeacht hoe dat in
de praktijk precies vorm zou worden gegeven.
Volgens mij geeft dit punt vooral aan dat we toe moeten naar een
maatschappij waarin kinderen bekend worden gemaakt met het bestaan van een
grote diversiteit aan positieve wegen tot individuele ontwikkeling, ook op
relationeel en erotisch gebied.
Het probleem zit hem namelijk in de perceptie van de eigen ontwikkeling, niet in die ontwikkeling zelf. Als dit
niet zo was, dan zouden er immers helemaal geen (authentieke) positieve gevallen van onschadelijke vrijwillige relaties gemeld kunnen worden.
De enig mogelijke alternatieve (d.w.z. niet-sociale) verklaring voor het
bestaan van problemen tijdens de nasleep van vrijwillige relaties als kind
is dat dit afhangt van de persoonlijkheidsvariabelen van het kind. Met
andere woorden, sommige kinderen zouden uiteindelijk door de manier waarop
zij in elkaar zitten (in plaats van door de manier waarop er van buitenaf op
de relatie wordt gereageerd) intrinsiek problemen krijgen met hun emotionele
of psycho-seksuele ontwikkeling.
Let wel, we hebben het hier dus niet over een individuele
geneigdheid om maatschappelijke taboes al dan niet (of meer of minder) te internaliseren, maar uitsluitend over
persoonlijkheidsvariabelen die ook los van zulke taboes in samenspel met vrijwillige seksualiteit met een meerderjarige tot ontwikkelingsproblemen
zouden leiden.
Er zijn echter voor zover ik weet geen aanwijzingen voor het
bestaan van zulke hypothetische variabelen die uitsluitend en consequent zouden voorkomen bij kinderen die zeggen in hun ontwikkeling te zijn
geschaad door een vrijwillige erotische relatie, terwijl er in zulke gevallen wel altijd sprake is van negatieve respons uit de omgeving. Daarom
zie ik zelf geen reden om naar andere dan sociale of culturele factoren te zoeken.
Maar als anderen dat wel willen doen, dan is het ook aan hen om op
zoek te gaan naar factoren die het mogelijk maken te differentiëren tussen kinderen voor wie zulke vrijwillige relaties
intrinsiek schadelijk zijn voor hun ontwikkeling en kinderen voor wie dit niet geldt. Het uitblijven van
zo'n differentiatie mag in dat geval hoe dan ook geen excuus zijn om te volstaan met de gratuite bewering
dat vrijwillige relaties altijd riskant zijn voor de ontwikkeling voor
kinderen. Het vermeende intrinsieke ontwikkelingspsychologische risico zou immers per definitie moeten samenhangen
met een of meer variabelen, en is dus niet als zodanig gekoppeld aan de
vrijwillige erotiek.
Overigens is er bij vrijwillige relaties meestal geen sprake van een
(traumatische) abrupte breuk, maar slechts van een afname van de seksuele
aantrekking. De geestelijke, emotionele band mondt echter meer dan eens uit
in een langdurige vriendschap of zelfs vriendschap voor het leven. Frank van
Ree (2001) haalt wat dit betreft de socioloog Lautmann aan: Er zijn gevallen
waarbij er een tientallen jaren voortdurende vriendschap blijft bestaan.
Tegenstanders van de emancipatie van erotische relaties
In de conservatieve literatuur is het feit dat dergelijke onthullende
casuïstiek gebruikt kan worden voor de emancipatie van vrijwillige relaties
vanaf het begin opgevat als een doorslaggevend bewijs dat de gevallen zelf
niet betrouwbaar kunnen zijn. De ‘propaganda’-doelstellingen van de
voorstanders van de emancipatie van niet-schadelijke pedofilie zouden maken
dat hun bewijsmateriaal bij voorbaat al onbruikbaar zou zijn.
Zo deed ik zelf jaren geleden een oproep in een nieuwsbrief (Rivas, 1997) om mij zoveel
mogelijk ervaringen te melden van volwassenen die als kind vrijwillig een
pedofiele relatie hadden beleefd en daar geen negatieve gevolgen van hadden
ondervonden. Ik wees op het emancipatorische nut van dergelijke gevallen.
Mijn oproep werd later door tegenstanders genoemd in besprekingen van het
onderzoek van Rind, Bauserman en Tromovitch (Dallam, 2002). Het werk van
deze onderzoekers wijst, net als eerdere onderzoekingen van Bernard,
Sandfort en anderen, uit dat kinderen (zowel jongens als meisjes) vrijwillig
erotische contacten met volwassenen kunnen onderhouden waar ze op latere
leeftijd geen schade van blijken te hebben ondervonden.
De ‘propaganda’-redenering is vergelijkbaar met de stelling dat empirische
gegevens over seksueel misbruik van kinderen onbruikbaar worden zodra iemand
ze gebruikt voor de bestrijding van seksueel misbruik. De vraag wat iemand
met wetenschappelijke bevindingen wil doen is in werkelijkheid natuurlijk
volkomen irrelevant voor de betrouwbaarheid en validiteit van die
bevindingen.
Op wetenschappelijk niveau dient een voor- of tegenstander van
een bepaalde kijk op een deel van de werkelijkheid zich te beperken tot
methodische of theoretische kritiek of argumenten. Kritiek op het inzetten
van empirische data, waarvan men de deugdelijkheid op wetenschappelijk
niveau erkent, voor of tegen een bepaalde doelstelling kan vervolgens
uitsluitend berusten op morele of levensbeschouwelijke gronden.
Ik wil
overigens in het algemeen niets afdoen aan de legitimiteit van morele
overwegingen. Maar het is rationeel onverdedigbaar wanneer het
wetenschappelijke gehalte van de resultaten van een onderzoek wordt
beoordeeld op wat iemand er al dan niet mee zou willen doen.
Tegenstanders van de emancipatie van onschadelijke pedofilie mogen zo
proberen het bewijsmateriaal dat gebruikt wordt voor die emancipatie op
wetenschappelijk niveau te tackelen of de emancipatorische doelstellingen
zelf op moreel en levensbeschouwelijk niveau aan te vallen, maar de twee
niveau’s moeten wel goed van elkaar onderscheiden blijven.
De stelling dat doordat bepaalde groeperingen gevallen van als positief
beleefde relaties zonder schadelijke gevolgen op lange termijn willen
‘misbruiken’ ten gunste van de maatschappelijke acceptatie van zulke
relaties, het verrichte onderzoek waardeloos moet zijn, is in ieder geval
onhoudbaar. Zij komt neer op het bij voorbaat uitsluiten van bepaalde
conclusies over feiten, zuiver omdat deze je onwelgevallig zijn.
In mijn oproep had ik het bijvoorbeeld over het verzamelen van bestaande
gevallen, niet over het verzinnen van relaties die nooit (als zodanig)
bestaan hebben of over het rooskleurig voorstellen van schadelijke,
onvrijwillige contacten. Iedereen kan immers positieve, onschadelijke
pedofiele relaties bij elkaar fantaseren, maar het zou regelrecht immoreel
zijn om dat te doen.
Indien iemand beweert dat het bewijsmateriaal voor onschadelijke relaties
per definitie op een verkeerde voorstelling van zaken moet berusten, beweert
hij of zij daarmee feitelijk dat de onderzoekers gewetenloos zijn en geen
aandacht meer verdienen voor hun werk, of anders dat ze zo naïef zijn
geweest zich te laten manipuleren door een kwaadaardige ‘pedo-lobby’.
Bovendien beweert men impliciet ook nog zeker te weten dat er geen
onschadelijke relaties kunnen bestaan. Met wetenschap heeft dit allemaal
weinig meer te maken, met ongefundeerde, dogmatische beweringen over hoe de
wereld op dit punt in elkaar steekt des te meer.
Criteria
Zoals we hierboven al zagen, is het ook binnen vrijwillige relaties van
groot belang dat het kind de regie houdt over de seksuele aspecten ervan. Er
zijn nog andere criteria waarmee men de kwaliteit en onschadelijkheid van
vrijwillige erotische relaties kan bewaken.
Op basis van relevante literatuur van o.a. Frans Gieles en Frank van Ree en eigen overwegingen zou
ik de volgende algemene randvoorwaarden willen noemen:
- (1) Beide partijen moeten de contacten actief willen, d.w.z. hier positief
tegenover staan en ze als positief beleven. Het kind moet zich dus ook elk
moment aan de contacten kunnen onttrekken.
- (2) Er mag in het geval van seksueel contact geen sprake zijn van
(niet-accidentele) fysieke blessures door bijvoorbeeld penetratie of ruwe
seksuele handelingen.
- (3) Het reeds genoemde criterium: er mag zoals gezegd nooit over de
individuele seksuele grenzen van een kind heen gegaan worden, en daarin mag
geen risico worden genomen. Als er seks plaatsvindt, dan moet dit altijd
vrijwillig gebeuren. De regie over de seksualiteit moet dus nogmaals altijd
bij het kind liggen.
Frank van Ree (2001) wijst wat dit betreft op de kinderseksualiteit die verschilt van de doorsnee volwassen seksualiteit. Er
bestaat een fundamentele misvatting over erotische pedofiele relaties, namelijk dat daarbij sprake zou zijn van geslachtsgemeenschap e.d., terwijl
het in werkelijkheid meestal om vormen van erotiek gaat die ook tussen kinderen onderling voorkomen, zoals masturbatie.
- (4) Er moet eerlijkheid van de kant van de volwassene zijn over de aard van
zijn of haar gevoelens jegens het kind. Als deze primair seksueel zijn in
plaats van persoonlijk, moet het kind hiervan bijvoorbeeld voldoende op de
hoogte zijn gebracht. [*8]
- (5) Er moet ondanks de verschillen in levenservaring en kennis sprake zijn
van een algemene respectvolle benadering van het kind van de kant van de
volwassene. De volwassene mag geen tekenen vertonen het kind te willen
domineren of claimen. De vrijheid om alleen te zijn of om te gaan met
leeftijdgenoten of familieleden mag bijvoorbeeld niet worden ingeperkt.
- (6) Een zesde criterium heeft betrekking op openheid jegens ouders of
opvoeders. Dit criterium heeft als zodanig niets te maken met de kwaliteit
van een contact of relatie zelf, maar het draait om preventie van negatieve
reacties van de ouders of andere volwassen vertrouwenspersonen en om het
voorkomen van een belastend geheim dat het kind met zich mee moet zeulen.
Dit criterium is met name van belang wanneer het kind een redelijke tot
goede band met zijn ouders of opvoeders heeft. Men zal bijvoorbeeld niet
gauw openheid verlangen jegens een vader of moeder die het kind zelf zwaar
mishandelt.
De volwassene dient zich af te vragen hoe beminde vertrouwenspersonen van het kind zullen reageren op het contact. Van
bepaalde confessies weet men bijvoorbeeld bij voorbaat hoe er over dit soort
relaties wordt gedacht. Alleen als er een redelijke kans op acceptatie bestaat is het moreel verantwoord om een contact aan te gaan. In andere
gevallen mag men geen risico nemen en moet men het contact zelf (liefdevol)
verbreken of beperken tot wat aanvaardbaar wordt geacht door de opvoeders.
En verder is er natuurlijk het trekken van pedagogische grenzen die ook al
bij platonische relaties aan de orde zijn.
Gezien het zesde criterium is het in de huidige maatschappelijke context
mijns inziens in de meeste gevallen moreel onverantwoord om een pedofiele
erotische relatie aan te gaan, omdat de negatieve reacties hierop uit de
sociale omgeving het kind veelal ernstig zouden kunnen schaden.
Frank van Ree spreekt in dit verband van ‘indirecte’ schadelijke gevolgen of
‘secundaire victimisatie’, wanneer een vrijwillige relatie plaatsvindt
binnen een cultuur die ‘zulke contacten en relaties getaboeïseerd en
verboden heeft.’ (blz. 100). Men moet daarbij denken aan nare psychologische
gevolgen zoals schaamte, schuldgevoelens en verwarring.
Dit wil echter niet zeggen dat emancipatie van dergelijke relaties ook op de
langere duur als intrinsiek onhaalbaar moet worden beschouwd. De sociale
taboes die er rond dit soort vrijwillige relaties bestaan, vormen juist een
extra reden om naar emancipatie op dit gebied (vrijwillige erotische
relaties) te blijven streven, ongeacht hoe lang de realisering ervan nog op
zich kan laten wachten. Net als bij emancipatie van platonische relaties,
geldt de emancipatie zoals reeds aangegeven zowel de relatie en de pedofiele
partner, als het betrokken kind.
Emancipatie van bonafide pedofiele relaties en het terugdringen van echt
seksueel misbruik
Stel nu dat men in deze eeuw of de volgende eeuw een situatie heeft bereikt
waarin vrijwillige platonische en erotische relaties tussen kinderen en
volwassenen maatschappelijk geaccepteerd en gelegaliseerd zijn, wat heeft
dit dan voor gevolgen voor de preventie van seksuele misdrijven gericht op
kinderen?
Allereerst zullen politie en justitie meer tijd en middelen tot hun
beschikking krijgen om zich volledig te richten op onvrijwillige contacten,
verkrachting, etc. Dit verhoogt de kans op het opsporen van misdadigers.
Bovendien zullen waarschijnlijk nog meer mensen met pedofiele gevoelens in
openheid kiezen voor moreel verantwoorde uitingen van hun gevoelens, dat wil
zeggen dat de kans dat zij zich bezighouden met louche praktijken nog
kleiner wordt.
Toch moet men er ook voor waken dat bepaalde malafide lieden misbruik maken
van een verbeterd klimaat rond integere relaties. We moeten daarbij denken
aan mensen met een gevaarlijke psychiatrische stoornis en een weinig
ontwikkeld geweten die het kind feitelijk alleen als seksobject zien, maar
zich daarbij voordoen als volkomen oprecht en te goeder trouw. Dit soort
mensen krijgt binnen het huidige maatschappelijke klimaat niet de kans om
openlijk een relatie aan te gaan met een kind, en dat is natuurlijk echt ook
de bedoeling in dit geval.
Ik denk in het algemeen dat ouders en verzorgers er goed aan zullen doen om
hoe dan ook nader kennis te maken met volwassenen die interesse tonen in hun
kind en bijvoorbeeld een ruime proefperiode in te lassen waarin de
volwassene geacht wordt helemaal niet over te gaan tot seksuele handelingen,
d.w.z. ook niet wanneer het kind daartoe het initiatief neemt. Het lijkt mij
dat een malafide 'partner' het geduld niet kan opbrengen om zo lang te
wachten. Het kost domweg teveel energie en er zijn gemakkelijkere manieren
om aan slachtoffers te komen. Eventueel kan dit punt te zijner tijd nader
psychiatrisch onderbouwd worden, in het belang van het voorkomen en
terugdringen van daadwerkelijk seksueel misbruik van minderjarigen.
Losse seksuele contacten, erotica en prostitutie
Naast relaties met een duidelijke affectieve component, kunnen mensen ook
vluchtige seksuele contacten aangaan waarbij zij alleen op het erotische
avontuur en bevrediging zijn gericht. Uiteraard kan dit ook het geval zijn
bij losse seksuele contacten met kinderen.
Mits deze contacten vrijwillig zijn en in overeenstemming met de individuele
psycho-seksuele ontwikkeling, oriëntatie en wensen van de minderjarige, is er
volgens mij als zodanig moreel gezien weinig op tegen, hoewel ook hier geldt
dat ze op dit moment meestal onverantwoord zijn door de mogelijke
maatschappelijke repercussies voor het kind.
Er zit echter een extra risico aan vast, dat ontbreekt bij verantwoorde
pedofiele relaties, namelijk dat de contacten zich bijna per definitie aan
elke controle door derden onttrekken. Bovendien is het zeer de vraag of een
kind voldoende voorbereid kan zijn op de seksuele contacten met de concrete
volwassene, aangezien er geen sprake is van een relatie of vriendschapsband,
en de volwassene in veel gevallen zelfs volkomen onbekend is. Dit geldt
zeker voor exhibitionistische ‘contacten’ waarbij een kind met opzet
plotseling wordt geconfronteerd met de geslachtsdelen of seksuele opwinding
van een volwassene.
Misschien maakt het aangaan van losse seksuele contacten niet primair
onderdeel uit van de emancipatie van pedofielen, maar op de eerste plaats
van de emancipatie van jongeren die zelf het initiatief tot zulke contacten
willen nemen. Het zou mijns inziens op den duur maatschappelijk aanvaardbaar
moeten worden om onder duidelijk omschreven voorwaarden, vergelijkbaar met
de criteria voor relaties, op de avances van zulke minderjarigen in te gaan.
Alleen binnen dit kader zou eventueel ook ruimte kunnen zijn voor
vrijwillige contacten met een exhibitionistisch of voyeuristisch ingestelde
volwassene.
Een voorbeeld van losse contacten wordt geleverd door een hoogleraar
geschiedenis aan de Universiteit van Massachussetts in Boston, William
Armstrong Percy III. Hij geeft aan dat hij zelf toen hij 14 jaar oud was
o.a. een soldaat verleidde in een trein.
Wat betreft erotica moeten we volgens mij onderscheid maken tussen
- (1) beeldmateriaal en teksten die volledig aan de fantasie ontsproten zijn en
waar geen bestaande kinderen bij betrokken zijn,
- (2) beeldmateriaal dat niet specifiek geproduceerd is voor erotische doeleinden, bijvoorbeeld
naturistische of artistieke foto’s, en
- (3) beeldmateriaal en teksten rond bestaande kinderen die opzettelijk voor erotische doelen gemaakt zijn
De eerste twee categorieën leveren volgens mij geen morele problemen op. Zij
kunnen een rol vervullen bij zelfbevrediging en de acceptatie van het gebruik van zulk materiaal hoort daarom ook bij de emancipatie van
niet-schadelijke pedofilie.
De derde categorie is alleen moreel acceptabel als we er zeker van kunnen
zijn dat kinderen vrijwillig (in de alledaagse zin van dit woord) aan de
productie hebben meegedaan.
Het verdient aanbeveling dat de productie van vrijwillige erotica op den duur gelegaliseerd en gecontroleerd wordt om de
vrijwilligheid beter te kunnen garanderen. Naast vrijwilligheid moet er dan ook worden gelet op financiële uitbuiting en kinderarbeid.
Wel speelt er op dit moment nog het probleem dat we ook al kennen van de
emancipatie van vrijwillige erotische relaties en van losse contacten,
namelijk dat de afgebeelde kinderen zichzelf later onder invloed van
maatschappelijke taboes als slachtoffer kunnen gaan beschouwen. Daarom denk
ik dat de emancipatie van pedofiele erotica met bestaande kinderen pas
gerealiseerd kan worden als dit probleem is weggenomen doordat vrijwillige
pedofiele erotiek in het algemeen maatschappelijk aanvaard zou zijn.
Kinderprostitutie is tot slot in mijn ogen bijna nooit te billijken, doordat
er welhaast per definitie een element van economische uitbuiting bij komt
kijken en onvrijwilligheid dus erg voor de hand ligt. Als een volwassene een
kind financieel wil ondersteunen kan dat altijd ook op een andere manier, en
als men een vrijwillige erotische relatie wil aangaan is daar geen
prostitutie meer bij nodig. Wat dit betreft zijn er weinig zaken die zo
haaks staan op een moreel verantwoorde emancipatie van pedofilie als het
(pedo)sextoerisme naar het voormalige Oostblok of ontwikkelingslanden.
Alleen bij oudere tieners kan ik me in principe nog voorstellen dat er echt
sprake is van een ‘roeping’ om het oudste beroep ter wereld uit te oefenen,
maar zelfs daar durf ik geen ronduit positieve uitspraken over te doen. Net
als bij losse contacten zou mogelijke emancipatie op de eerste plaats vooral
betrekking hebben op de emancipatie van de prostitué(e)s, in feite
vergelijkbaar met hoe dit bij prostitutie van volwassenen ligt. De
emancipatie van eventuele klanten zou daar een logisch gevolg van zijn.
Pedofiele identiteit?
Iemands erotische voorkeur of oriëntatie kan een heel spectrum aan gevoelens
en verlangens omvatten en van invloed zijn op allerlei terreinen van iemands
leven. Iedereen kent wat dit betreft wel de huishoudbeurzen voor
homoseksuelen of de homo-erotische poëzie en kunst.
Velen ervaren het ophangen van je hele persoonlijke identiteit aan je erotiek of seksualiteit
echter als benauwend en beperkend en zien hun seksuele en amoureuze
gevoelsleven als slechts één aspect van hun totale wezen. Mensen verschillen
van elkaar, en dat geldt ook in dit opzicht.
- Sommige mensen met pedofiele gevoelens hebben bijvoorbeeld geen pedofiele erotische voorkeur, maar zij
ervaren zichzelf primair als heteroseksueel of homoseksueel,
- sommige vallen alleen op meisjes van de lagere school,
- andere alleen op jongens die al bijna volwassen zijn,
- sommige hangen allerlei persoonlijkheidskenmerken op
aan hun pedofiele gevoelens, of juist andersom, en
- andere doen dat helemaal niet, etc.
- Sommigen zijn gefascineerd door gepostuleerde
ontwikkelingspsychologische, klinische, genetische, psychoanalytische, persoonlijkheidspsychologische of spirituele achtergronden van hun pedofiele
gevoelens, terwijl
- anderen vooral of uitsluitend bezig willen zijn met de
acceptatie en integratie, of met het beklemtonen van het constructieve, gezonde karakter van hun gevoelens.
Emancipatie van mensen met pedofiele gevoelens of pedofiele relaties
betekent dus allerminst dat er gewerkt zou moeten worden aan één duidelijke
of gemeenschappelijke pedofiele identiteit of overkoepelende theoretische
constructie van pedofilie en de achtergronden daarvan, maar alleen dat
iedereen vrij gelaten moet worden om op een eigen manier gestalte en zin te
geven aan zijn of haar gevoelens.
Literatuur
- Baurmann, M. C. (1983).
Sexualität, Gewalt und psychische Folgen. Wiesbaden: Bundeskriminalamt.
- Bauserman, R., & Rind, B. (1997).
Psychological correlates of male child and adolescent sexual experiences with adults: A review of the nonclinical
literature. Archives of Sexual Behavior, 26: 105-141.
- Bernard, F. (1975).
Pedofilie. Bussum: Uitgeverij Aquarius.
- Bernard, F. (1977).
Paedophilia; the consequences for the child. Paper presented at the International Conference on Love and Attraction, Swansea.
- Bernard, F. (1985).
Paedophilia: A Factual Report. Rotterdam: Enclave.
- Brongersma, E. (1990).
Loving Boys (2 Vols.). New York: Global Academic.
- Cobelens, G. (1992).
Al met al een mooi verhaal: Losse eindjes van tien jaar vriendschap. OK Tijdschrift, Maart/April, 16-21.
- Dallam, S. J. (2002).
Science or Propaganda? An examination of Rind, Tromovitch and Bauserman (1998). Journal of Child Sexual Abuse, 9 (3/4),
109-134.
- Engelen, I. van (1999).
En ze noemen het liefde. Breda: De Geus.
- Füss, B, & G. G. (1981).
‘....en me vriendje houdt van mij!’ (2e druk). Eindhoven: Landelijke Werkgroep Jeugdemancipatie van de NVSH.
- Gieles, F. (1995).
Voorzichtige verkenningen van de grens tussen gewenste en ongewenste
intimiteit, Lezing, Vlaamse Vereniging van Orthopedagogen, Gent, 24
november 1995; in: tOKK, Tijdschrift voor Orthopedagogiek,
Kinderpsychiatrie en Klinische Kinderpsychologie, Leuven, 22-3, september
1997, pp 129 - 132
- Gieles, F. (1997).
"Ik wist er geen raad
mee": Jongeren spreken achteraf over vrijwillig aangegane sexuele contacten met volwassenen. NVSH LwgJORis
Nieuwsbrief nr 45, april 1997.
- Gieles, F. (2001).
Helping people with pedophilic feelings. Lezing voor het 15de World Congress of Sexology, Parijs & The congress of the Nordic
Association of Clinical Sexology, Visby, Zweden.
- Gieles, F. (2002).
The struggles about the free will, facts and morality. The debate about the publications of
Rind, Bauserman & Tromovitch goes on –
A bird’s eye view, 1997 - 2002 . Ipce Newsletter, E 13, Juni.
- Gieles, F. (2003).
Is pedophilia a mental disorder? Discussion in Archives of Sexual Behavior. Ipce Library.
- Gieles, F. (2004).
Ethiek en mensenrechten in jeugd-ouderen relaties: 'Richt vooral geen schade aan.' Ipce Newsletter, E17, Juni.
- Möller, M. (1983).
Pedofiele Relaties. Deventer: Van Loghum Slaterus.
- Nelson, J. A. (1981).
The impact of incest: Factors in self-evaluation. In Constantine, L. L., and Martinson, F. M. (eds.): Children and Sex. Boston:
Little, Brown.
- O'Carroll, T. (1980).
Paedophilia: The Radical Case. Londen: Peter Owen.
- Oellerich, Th.D. (2000).
Rind, Tromovitch und Bauserman: Ihre meta-analytische Studie ist politisch "unkorrekt", doch wissenschaftlich
hieb- und stichfest. Sexualität & Kultur, 4(2), 67-81.
- Okami, P. (1991).
Self-reports of "positive" childhood and adult sexual contacts with older persons: An exploratory study. Archives of Sexual
Behavior, 20: 437-457.
- Ree, F. van (1999).
Intieme relaties tussen jongeren en volwassenen: Zijn
er criteria voor een goed contact? Koinos Magazine, 24, 4.
- Ree, F. van (2000).
Per definitie misbruik? Het taboe als excuus. Koinos
Magazine, 25, 1.
- Ree, F. van (2001).
Pedofilie; een controversiële kwestie. Analyse van een maatschappelijk vraagstuk. Lisse: Swets en Zeitlinger.
- Rind, B., Bauserman, R., & Tromovitch, P., (2000).
Debunking the false
allegation of "statistical abuse": a reply to Spiegel. Sexuality & Culture,
4-2, 101-111
- Rind, B., & Tromovitch, P. (1997).
A meta-analytic review of findings from
national samples on correlates of child sexual abuse. Journal of Sex Research, 34: 237-255.
- Rind, B., Tromovitch, P., & Bauserman, R. (1998a).
Meta-Analytic Examination of Assumed Properties of Child Sexual Abuse Using College
Samples. Psychological Bulletin, Vol. 124/1, 22-53.
- Rind, B., Tromovitch, P., & Bauserman, R. (1998b).
An Examination of
Assumed Properties of Child Sexual Abuse Based on Nonclinical Samples. Lezing voor symposium gesponsord door de Paulus Kerk, Rotterdam, op 18
December 1998.
- Rivas, T. (1997).
A new approach to the societal emancipation of affectionate relationships between minors and adults.
Ipce Newsletter, Number E 2.
- Rivas, T. (2001).
Seksuele Intolerantie: Anti-seksuele redeneringen onder
de loep. OK Magazine, 78, 6-8.
- Rivas, T. (2003).
Vriendschap met kinderen. OK Magazine, 86, 25-26.
- Sandfort, Th. (1982).
The Sexual Aspect of Paedophile Relations. Amsterdam: Pan/Spartacus.
- Sandfort, Th.(1983).
Meisjes over hun pedofiele vriendschappen met mannen. Jeugd & Samenleving, 13, 2:105-115.
- Sandfort, Th. (1988a).
Jongens over vriendschap en seks met mannen. Amsterdam: Uitgeverij SUA 2e druk (1e druk 1986).
- Sandfort, Th. (1988b).
Het belang van de ervaring. RUU: Publikatiereeks Homostudies Utrecht.
- Sax, M. & Deckwitz, S. (1992).
Op een oude fiets moet je het leren; Erotische en seksuele relaties tussen vrouwen en jonge meisjes. Amsterdam: Schorer Stichting.
- Tindall, R. H. (1978).
The Male Adolescent Involved With a Pederast Becomes an
Adult. Journal of Homosexuality, 3, 4, 373-382.
- Visser, H. (red.) (1998).
De andere kant van de medaille: Over de vraag: is pedofilie misbruik van kinderen? Rotterdam: Stichting Kerkelijk Sociale Arbeid.
- West, D. J., & Woodhouse, T. P. (1993).
Sexual encounters between boys and adults. In Li, C. K., West, D. J., and Woodhouse, T. P. (eds.), Children's Sexual Encounters with Adults. Buffalo, NY: Prometheus.
Noten
Klik op de noot om terug te gaan naar de tekst
[*1] Met dank aan Marthijn Uittenbogaard, Rob Koelewijn en Frans
Gieles [en zie hieronder].
[*2] Of haar! In dit artikel kan meestal bij ‘hij’ ook ‘hij of zij’ gelezen
worden, etc.
[*3] JORis is een afkorting voor Jongeren-Ouderen Relaties, intimiteit,
seksualiteit.
[*4] Ik laat hier nadere conceptuele onderscheiden zoals tussen pedofilie,
ephebofilie, parthenofilie en infantofilie buiten beschouwing, omdat mijn betoog zo algemeen mogelijk wil zijn. Onder ‘kinderen’ versta ik hier alle
minderjarigen tot 16 jaar.
[*5] Vaak aangeduid met de Engelse term
grooming.
[*6] Naast thanatos, een drang tot agressie en (zelf)vernietiging.
[*7] Ik bedoel intrinsiek geschaad, dat wil zeggen door de erotiek zelf, en
niet door de negatieve reacties daarop door de omgeving of door de veranderde houding die een kind kan krijgen door die reacties.
[*8] Ook behoort de volwassene in geval van een relatie met amoureuze aspecten het kind zo vroeg mogelijk duidelijk te maken in hoeverre dit soort romantische gevoelens bij de volwassen partner zelf normaliter beperkt blijven tot een bepaalde leeftijdsfase.
Op die manier voorkomt men namelijk onrealistische verwachtingen bij de minderjarige dat de
romantische relatie als zodanig nog voort zal duren na de kinderjaren, in plaats van uiteindelijk waarschijnlijk te worden omgezet in een (close) vriendschap zonder zo'n uitgesproken amoureuze dimensie.
Wat ik hiermee bedoel, is niet dat er geen aanvankelijk 'pedofiele' relaties bestaan die ook in romantische en zelfs erotische zin voort kunnen duren nadat het kind meerderjarig is geworden, maar slechts dat de jongere partner geen onnodige illusies dient te koesteren over een levenslange 'doorsnee' liefdesrelatie terwijl de volwassene bij voorbaat, uit ervaring, zou weten dat de kans hierop (subjectief beschouwd) heel gering is.
Op die manier voorkomt men niet alleen veel verdriet bij de jongere, maar ook het gevoel dat hij of zij misleid en vervolgens 'gedumpt' is door de volwassene.
Over de auteur
Drs. Titus Rivas (1964) is filosoof en theoretisch psycholoog. Hij is
werkzaam als auteur, onderzoeker en docent en heeft boeken op zijn naam staan over onder andere parapsychologie, ontologie, dierethiek, en
spiritualiteit. Bovendien is hij net als Frans Gieles en Rob Koelewijn
verbonden aan Stichting Tegenwicht.
Titus Rivas kan worden benaderd via zijn e-mail
adres < titusrivas@hotmail.com
>.
Hij verzamelt authentieke retrospectieve verslagen van positieve ervaringen van voormalige kinderen
met platonische en erotische pedofiele relaties.
[ Start ] [ Omhoog ]
|