Start ] Omhoog ]


Veiligheid in de beoordeling van jeugd-ouderen relaties: een alternatief 

door Titus Rivas 

Inleiding 

Verschillende schrijvers, waaronder wijlen Piet Vroon, hebben gewezen op overdrijving en hysterie bij mogelijke gevallen van seksueel misbruik van kinderen. Bovendien blijkt de algemene maatschappelijke alertheid ten aanzien van misbruik te worden aangewend om onschuldigen in diskrediet te brengen, bijvoorbeeld in het geval van echtscheidingen. Daar staat tegenover dat bezorgde hulpverleners terecht stellen dat men moet voorkomen dat misbruikgevallen in de sfeer van het mythische verzinken. 

Dit artikel is tegen deze achtergrond geschreven. Seksueel misbruik is één van de ernstigste misdrijven die men een kind kan aandoen. Het kind (bedoeld wordt hier: iedereen onder de 16 jaar) kan er ernstig geestelijk door worden belast. Het gaat dus niet aan om seksueel misbruik te bagatelliseren, of naïef te veronderstellen dat de meeste gevallen uiteindelijk toch nog op fantasie berusten. 

 Tegelijkertijd is er echter een verschijnsel dat ten onrechte sterk in diskrediet is gebracht door de schokkende onthullingen op dit gebied: de bonafide, onschadelijke Jongere (of Jeugd)-Oudere Relatie (JOR). In het geschokte gemoed van ouders en hulpverleners die geconfronteerd zijn met soms gruwelijke vormen van misbruik, wordt alle intimiteit, erotiek en seksualiteit met kinderen geassocieerd met zulk misbruik. 

Een heel begrijpelijk posttraumatisch effect, dat men hun moeilijk kwalijk kan nemen. Maar zoals bij alle posttraumatische effecten, kan niet worden volgehouden dat deze generalisatie constructief en realistisch is. Integendeel, het vooroordeel dat misbruik met betrekking tot alle intieme relaties met kinderen creëert bij slachtoffers van misbruik (en naïeve derden die over hun relaas worden geïnformeerd), belemmert een eerlijke beoordeling van die relaties. Dit is te vergelijken met het effect van verkrachting van volwassen vrouwen op hun houding tegenover mannen. Een tijdlang is er soms een onevenredige afkeer van en zelfs angst voor mannen in het algemeen bij zulke vrouwen. 

In het geval van JORs betekent dit dat alle volwassen partners zonder onderscheid worden aangezien voor gestoorde, egoïstische verleiders die het kind uitsluitend zien als lustobject. De kinderen worden beschouwd als misleide slachtoffers. En alle relaties worden meedogenloos verbroken en verboden. 

Wil men daarom de vraag beantwoorden of alle JORs gelijk staan aan misbruik, dan zal men zich niet moeten laten misleiden door allerlei vooroordelen op dit gebied. 

In dit artikel wil ik bekijken hoe men in de praktijk op een veilige manier onderscheid zou kunnen maken tussen schadelijke en onschadelijke contacten. 

Schadelijke en onschadelijke contacten 

Bij het beschouwen van de schadelijkheid van contacten, beperk ik me vanzelfsprekend tot de schadelijkheid in ontwikkelingspsychologische of pedagogische zin. Voor veel christenen zal "pedofilie" bijvoorbeeld weliswaar altijd een grote zonde zijn, maar dat is een theologische aangelegenheid, geen empirische. Ik stel hier dus niet dat mensen geen levensbeschouwelijke bezwaren tegen JORs zouden mogen hebben, maar het is wel zaak dat zulke bezwaren strikt worden onderscheiden van empirisch gefundeerde bezwaren. Anders kan er vertroebeling optreden die in niemands belang is. 

Aan de andere kant is het hier evenmin mijn bedoeling om te betogen dat JORs positief kunnen zijn voor het welzijn en de ontwikkeling van kinderen. Hoewel dit volgens mij inderdaad het geval kan zijn, is het niet direct van belang voor de beantwoording van mijn vraag. Als ze onschadelijk zijn, betekent dit dat het verder aan het betrokken kind en de volwassene zelf overgelaten moet worden of men het contact wil voortzetten of niet. Dat blijft dan een persoonlijke keuze en geen plicht. 

Schadelijkheid kent twee gezichten. Iets wat schadelijk is, kan zo ook worden ervaren, bijvoorbeeld: wanneer iemand verkracht wordt, dan is het duidelijk dat de schadelijkheid hiervan bewust beseft wordt door het slachtoffer. Maar het schadelijke van iets kan ook over het hoofd worden gezien of verdrongen. Hoeveel mensen blijven bijvoorbeeld niet gewoon sigaretten roken terwijl er zelfs op de pakjes nog staat dat dit zeer schadelijk is voor de gezondheid? 

Het is dus naïef om bij de beoordeling van contacten te volstaan met te onderzoeken hoe het gesteld is met de subjectieve beleving van het kind bij die contacten. Die beleving kan immers misleid zijn. Dit geldt zeker voor kinderen die in het algemeen over minder feitenkennis beschikken dan volwassenen. 

We moeten ons dus realiseren dat wèl alles wat als schadelijk, kwetsend, traumatiserend wordt ervaren, daarom ook echt schadelijk is, maar dat niet alles wat als onschadelijk wordt beleefd, daarom ook echt onschadelijk is

Een punt wat dicht bij het voorgaande ligt, is dat als een contact als ronduit positief wordt ervaren door het kind, dit zelfs dan nog niet betekent dat het daarom ook echt onschadelijk is. Een kind kan het bijvoorbeeld als echt positief ervaren als het naar een schokkende griezelfilm kijkt, maar hier later toch nachtmerries door krijgen. Dit verschil tussen beleving en effect is niet beperkt tot kinderen, maar komt bijvoorbeeld ook voor bij rokers. Het roken kan erg lekker zijn, maar toch niet minder tot longkanker leiden. 

Dit betekent dus: 
(1) Contacten die de kinderen als onprettig ervaren, zijn zeker schadelijk voor hen. 
(2) Contacten die de kinderen als prettig ervaren, zijn daarmee nog niet automatisch onschadelijk. 

Anders gesteld: Op zoek naar een categorie contacten die onschadelijk zijn voor het kind, weten we in ieder geval dat deze contacten subjectief als prettig en gewenst moeten worden ervaren door het kind. Dit is een noodzakelijke maar nog niet voldoende voorwaarde. De subjectieve beleving van kinderen in relaties staat dus voorop in de beoordeling ervan, maar de beoordeling mag er niet toe worden beperkt. 

Seksualiteit 

Onder seksualiteit versta ik hier: elke vorm van lichamelijk erotisch contact, van het teder vasthouden van iemands hand tot coïtus. Van bepaalde vormen van seksualiteit is het direct duidelijk dat ze schadelijk moeten zijn voor kinderen. Dit geldt in het algemeen voor vormen van seksuele penetratie die pijnlijk en onprettig, en dus automatisch ook schadelijk zijn. Bovendien heeft elke persoon en dus ook elk kind individuele seksuele grenzen, en het is dus zaak dat deze worden gerespecteerd. 

Voorts is het duidelijk dat in alle relaties die beperkt zijn tot of gefocust zijn op seksualiteit met kinderen, deze kinderen alleen maar gebruikt worden voor seksuele bevrediging. Dit is steeds dan schadelijk, wanneer de kinderen een ander, onjuist idee krijgen van de bedoelingen van de volwassene. Als zij geloven dat de volwassene uit is op liefde of vriendschap, terwijl het hem of haar voornamelijk of uitsluitend gaat om fysieke seksualiteit. 

Indien ze echter weten dat een contact door de volwassene primair seksueel bedoeld is, in plaats van primair affectief, en daar geen moeite mee hebben vanwege hun specifieke persoonlijkheidsstructuur, valt niet in te zien, wat er psychologisch tegen zulke seksuele contacten zou zijn. 

Voor seksualiteit binnen een liefdevolle relatie geldt dit nog sterker. Het is volgens mij niet goed in te zien in welk opzicht kinderen geschaad zouden kunnen worden door prettig en gewenst seksueel (niet-incestueus) contact met een volwassene die van hen houdt, en van wie zij zelf ook houden. 

Het is echter gemakkelijk in te zien dat het beëindigen van alle contact tussen een volwassene en een kind zonder dat er sprake was van misbruik of liefdeloze lust, traumatisch moet zijn voor het kind. Niet alleen wordt wat het kind als positieve seksualiteit ervaren heeft als misbruik voorgesteld, maar ook wordt de liefdesband tussen de volwassene en het kind ontkend en voorgesteld als zuiver manipulatief egoïsme van de volwassene. 

De vraag wordt dan vanzelfsprekend of er seksuele relaties bestaan die gebed zijn in oprechte liefde voor het kind. Het antwoord is al langer bekend: Dit lijkt niet de uitzondering, maar zelfs de regel te zijn voor vrijwillige JORs. Wat dus impliceert dat juist de opgelegde beëindiging van de meeste JORs traumatisch zal zijn voor kinderen. Niet de relaties zelf, maar juist hun vernietiging is dus in de meeste gevallen schadelijk vanuit een psychologisch perspectief. 

Geregeld voert men hier tegen aan dat zeker jonge kinderen helemaal nog niet toe zouden zijn aan seksualiteit of een liefdesrelatie. Dit is echter in strijd met de ontwikkelingspsychologische gegevens. Kinderen kennen eigen vormen van seksualiteit waar juist in vrijwillige JORs bij aangesloten wordt. En kinderen kunnen serieus verliefd worden, zowel op leeftijdgenoten als op volwassenen (en overigens ook op jongere kinderen). 

Een ander bezwaar luidt dat hoewel er inderdaad kinderseksualiteit en -liefde bestaan volwassenen zich hoe daar dan ook niet mee mogen "bemoeien". Naast burgerlijke en religieuze achtergronden (zo'n "inmenging" zou onnatuurlijk of tegennatuurlijk zijn), voert men hiervoor aan dat er slechts een soort gezonde psychoseksuele ontwikkelingsgang zou bestaan. De gezonde kindererotiek zou voornamelijk bestaan uit geëxperimenteer met leeftijdgenoten. Door in aanraking te komen met volwassenen op erotisch gebied zou men de experimenteer-fase te snel afsluiten en bovendien vervreemden van leeftijdgenoten. 

In feite blijkt uit onderzoek domweg dat dit voor zover bekend allemaal niet het geval is. Positieve, gewenste JORs leveren op zichzelf geen psychoseksuele problemen op latere leeftijd op. Er is dus echt sprake van een vooroordeel dat ten dienste staat van een soort vanzelfsprekende scheiding van jong en oud op relationeel gebied. 

Dominantie 

Seksuele dominantie doet zich alleen daar voor waar de individuele seksuele grenzen van een kind niet worden gerespecteerd. Maar dominantie omvat natuurlijk meer dan alleen seksuele dominantie. Bij gevallen van misbruik door vaders ziet men vaak dat ze trachten hun dochters en zoons te kleineren, sociaal te isoleren en controleren. Ook dit soort dominantie is schadelijk en moet men daarom natuurlijk voorkomen, omdat het het zelfvertrouwen en de assertiviteit van de kinderen ernstig zou kunnen aantasten. 

Het kan nooit de bedoeling zijn van een relatie om de vriend of vriendin te claimen en afhankelijk te maken, of diens sociale contacten met leeftijdgenoten en anderen aan te tasten. Elke positieve relatie draagt juist een element van emancipatie in zich, en streeft naar gelijkwaardigheid en onafhankelijkheid tussen de partners. 

Criteria 

Uit het voorgaande kunnen we de volgende criteria afleiden in het beoordelen van de aard van de individuele contacten: 

(1) Het kind moet de contacten actief willen, d.w.z. hier positief tegenover staan en ze als positief beleven. Het moet zich dus ook elk moment aan de contacten kunnen onttrekken. 

(2) Er mag in het geval van seksuele contacten geen sprake zijn van (niet-accidentele) fysieke blessures. 

(3) Er mag nooit over de individuele seksuele grenzen van een kind heen gegaan worden, en daarin mag geen risico worden genomen. 

(4) Er moet eerlijkheid van de kant van de volwassene zijn over de aard van zijn of haar gevoelens jegens het kind. Als ze primair seksueel zijn in plaats van persoonlijk, moet het kind hiervan bijvoorbeeld voldoende op de hoogte zijn gebracht. 

(5) Er moet ondanks de verschillen in levenservaring en kennis, sprake zijn van een algemene respectvolle benaderding van het kind van de kant van de volwassene. De volwassene mag geen tekenen vertonen het kind te willen domineren of claimen. 

(6) Een zesde criterium heeft betrekking op openheid jegens ouders of opvoeders. Dit criterium heeft als zodanig niets te maken met de kwaliteit van een contact of relatie zelf, maar het draait om preventie van negatieve reacties van de ouders of andere volwassen vertrouwenspersonen en om het voorkomen van een belastend geheim dat het kind met zich mee moet zeulen. 
Dit criterium is met name van belang wanneer het kind een goede band met zijn ouders of opvoeders heeft. Men zal bijvoorbeeld niet gauw openheid verlangen jegens een vader of moeder die het kind zelf zwaar mishandelt. De volwassene dient zich af te vragen hoe beminde vertrouwenspersonen van het kind zullen reageren op het contact. Van bepaalde confessies weet men bijvoorbeeld bij voorbaat hoe er over dit soort relaties wordt gedacht. Alleen als er een redelijke kans op acceptatie bestaat is het moreel verantwoord om een contact aan te gaan. In andere gevallen mag men geen risico nemen en moet men het contact zelf (liefdevol) verbreken of beperken tot wat aanvaardbaar wordt geacht door de opvoeders. 

Ingrijpen 

Betekent dit nu ook dat alle contacten die niet aan de bovenstaande criteria voldoen direct moeten worden verbroken? Ik denk dat hiervoor het volgende moet gelden: 

(1) Ongewenste contacten moeten zeker direct worden verbroken. 

(2) Bij fysieke blessures geldt hetzelfde. 

(3) Bij het overschrijden van grenzen zonder fysieke blessure zal men moeten vaststellen hoe ernstig dit is voor het kind. In individuele gevallen kan zich voorstellen dat het kind dit wangedrag "vergeeft" door het gehalte van de relatie als geheel. We kunnen dan bijvoorbeeld denken aan het meer kusjes geven dan het kind zelf prettig vindt binnen een als geheel fijne relatie. In alle andere, ernstigere gevallen is verbreking van het contact onvermijdelijk. 

(4) Bij misleiding van het kind, is het eveneens nodig het contact te verbreken, en wel in alle gevallen. 

(5) Bij dominantie die niet incidenteel, maar structureel plaatsvindt, is het al evenmin vermijdelijk dat het contact wordt verbroken. 

Dus alleen bij liefdevolle relaties waarin men - gemeten aan (zeer uiteenlopende) individuele grenzen van kinderen - te ver is gegaan, maar hier oprechte spijt over heeft, kan men een tweede kans overwegen indien het kind dat zelf wil. In alle andere gevallen is het volgens mij inderdaad geboden dat het contact wordt verbroken. 

Als er geen openheid jegens de ouders (het zesde criterium) is geweest en deze als het ware 'per ongeluk' achter de relatie komen, moet men vaststellen wat hier de achtergrond van was. Dat moet bepalen of de relatie beëindigd dient te worden of niet. 

Bescherming van onschadelijke relaties 

JORs die voldoen aan bovenstaande criteria zijn onschadelijk, en dus automatisch gewenst. Ze worden door het kind als positief beleefd. De bedreiging en aantasting van deze relaties en van het lot van de volwassene, worden zo als (zeer) negatief ervaren door het kind. 

De ironie wil dus zoals gezegd dat juist de torpedering van ten onrechte als belastend beschouwde, onschadelijke relaties een psychische belasting van het kind moeten veroorzaken. 

Naast algemene morele overwegingen ten aanzien van de bescherming van onschadelijke en subjectief als positief ervaren relaties, in de trant van: 'Als ze samen gelukkig zijn en het geen kwaad kan, wie geeft mij dan het recht om het kapot te willen maken?', zijn er dus specifiek ontwikkelingspsychologische redenen om onschadelijke relaties te beschermen. 

Naast moreel respect voor andermans geluk, gaat het dus bij bescherming van onschadelijke relaties om het voorkomen van een trauma, juist het soort schade dat men immers wil verhinderen bij de bestrijding van misbruik. 

Dit artikel is een bewerking van een gelijknamig essay in een nieuwsbrief van de NVSH uit januari 1996. 

Literatuur: 

Psychiater Frank van Ree: Intieme relaties tussen jongeren en volwassenen: Zijn er criteria voor een goed contact? 

Start ] Omhoog ]