Samenvatting  

van: 
Schuivende panelen - Een achtergrondstudie naar wereldlijke en kerkelijke ontwikkelingen rond om seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Rooms-Katholieke Kerkprovincie (1945-2010)
in: 
Commissie-Deetman, Seksueel misbruik in de Rooms-katholieke kerk; Balans 2011, Deel 2

Dr. R.S.B. Kool

In: Commissie Deetman, Seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-katholieke kerk; Balans, 2011 [Blz 111]

Aanleiding tot deze achtergrondnotitie was het groeiend aantal meldingen over seksueel misbruik dat zich in het nabije verleden heeft afgespeeld binnen de Katholieke Kerk. Inzet was te bezien hoe de strafwaardigheid van dit seksueel misbruik vanuit een historisch perspectief te beoordelen. Gekeken is naar ontwikkelingen op wereldlijk en kerkelijk niveau, en naar de wisselwerking daartussen.

Het onderzoek is uitgevoerd als literatuurstudie, waarbij behalve van publiekelijk toegankelijke bronnen ook gebruik is gemaakt van niet publiekelijk toegankelijke bronnen aangereikt vanuit de Onderzoekscommissie.

Hoewel de vraagstelling was gericht op het genereren van een beschrijving van de maatschappelijke ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden in de naoorlogse periode (1945-2010), is ook aandacht besteed aan de jaren daarvoor. Deze zijn namelijk bepalend geweest voor denken over strafbare seksualiteit in de naoorlogse periode. Een goed begrip van het denken over strafbare seksualiteit in de periode 1945-2010 vergt zodoende inzicht in wat daaraan voorafging.

Ten behoeve van het overzicht werden vijf periodes onderscheiden, waarin steeds een zekere omslag in het denken over strafbare seksualiteit heeft plaatsgevonden, die al dan niet een doorwerking heeft gehad in het wereldlijke en kerkelijke denken over strafbare seksualiteit. Ten behoeve van de samenvatting worden deze periodes echter in een driedeling beschreven

  • Als eerste de periodes tussen 1886 en 1945 respectievelijk de jaren tussen 1945 en 1960. 

  • Een tweede samengebrachte periode omvat de jaren tussen 1960 en 1970 en die tussen 1970 en 1985. 

  • De laatste periode beslaat de jaren na 1985 tot op heden.

De periode 1886-1945 en de periode 1945-1960

In deze periode werd het eerste nationale Wetboek van Strafrecht van kracht, met daarin opgenomen zedenwetgeving. Die bepalingen berustten echter bij invoering al op achterhaalde maatschappelijke opvattingen, wat aanleiding gaf tot een herziening van het Wetboek van Strafrecht kort daarna. 

[Blz 112]

De maatschappelijke opvattingen betreffende de strafbare seksualiteit waren in deze periode vrijwel gelijkluidend met de kerkelijke opvattingen.

Vertrekpunt was een strikt functionele opvatting van de seksualiteit. Dat hing 

  • enerzijds samen met de maatschappelijke noodzaak de seksualiteit aan banden te leggen, het sociaaldemografisch evenwicht moest immers behouden blijven. 

  • Anderzijds was ook sprake van een normatief vertoog met daarin opgenomen 

    • strikte (burgermans)fatsoensnormen en 

    • verdrukking van de seksualiteit. 

Aandacht voor seksueel misbruik van minderjarigen was er slechts beperkt. Er was wel sprake van een ‘onderhuidse’ zorg, maar die was verweven met een meer algemene zorg om zedelijk verval als gevolg van de groeiende industrialisatie.

Deze zorg werd algemeen, over de gehele politieke linie gedeeld en leidde in 1911 tot uitbreiding van de zedenwetgeving. Het enige in het oog springende punt hier is wellicht de strafbaarstelling van homoseksuele contacten. Hoewel die niet algemeen werd onderschreven, sloot het nauw aan bij de kerkelijke opvattingen waarin homoseksualiteit als doodzonde werd gezien. 

In later jaren werd vanuit katholieke kringen een genuanceerder opvatting hoorbaar. Maar ook toen was er geen sprake van acceptatie van homoseksualiteit als seksuele vorm. Integendeel, wat nieuw was, was dat homoseksualiteit als te behandelen ‘ziekte’ werd benoemd.

Vanwege deze en andere psychische problemen die leefden binnen de kerkelijke instellingen werd besloten een ‘eigen’ katholiek behandelcircuit op te zetten. De vertaalslag van psychische en seksuele problematiek onder geestelijken naar mogelijk omvangrijk seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Katholieke Kerk werd echter niet gemaakt. Daarmee is niet gezegd dat men destijds niet op de hoogte was van het feit dat dergelijke handelingen voorkwamen, ze werden echter als incident gezien en als dusdanig afgehandeld. 

De aandacht, op zowel wereldlijk, als kerkelijk niveau was eerst en vooral gericht op het tegengaan van de zedelijke verloedering van de lagere klasse, in het bijzonder op het in goede banen leiden van het huwelijkse leven en daaraan verbonden seksuele problemen. Deze eendracht tussen het wereldlijke en het kerkelijke discours hoeft geen verwondering te wekken: de vooroorlogse samenleving was sterk verzuild. Hoe te leven werd als het ware voorgeschreven door de zuil waartoe men behoorde. De katholieke zuil was hierbij sterk vertegenwoordigd en regeerde over de klassenscheidingen heen.

Dit beeld van ‘gehoorzaamheid’ aan kerkelijke waarden en burgerfatsoen bleef opgeld doen tot kort na de Tweede Wereldoorlog, zij het dat in de loop van de jaren dertig een zeker verzet tegen dit verzuilde keurslijf ontstaat. Ook vanuit de kring van katholieke gelovigen.

Na de verschrikking en chaos van de oorlogsjaren was er na het einde van de oorlog eerst en vooral behoefte aan herstel van normen en waarden. 

Op zoek naar rust en vrede vond een kortstondige ‘renaissance’ van de zuilen plaats, in het bijzonder van de Katholieke Kerk die met haar ‘onkreukbare’ normen en waarden zekerheid leek te bieden in tijden van wanorde. Dicht onder de oppervlakte smeulde echter een maatschappelijk verlangen naar liberalisering en individualisering.

Eenmaal van de vrijheid geproefd bleek het tij niet meer te keren. De onvrede over de strikte katholieke normen en waarden, in het bijzonder op het gebied van de anticonceptie die eerder in de jaren dertig de kop op had gestoken, kwam weer boven drijven. 

Van belang ook was de veranderde positie van vrouwen, in het zog van de economische wederopbouw gloorden voor hen kansen om zich eindelijk los te maken van het traditionele, onder kerkelijke invloed staande, beeld van de vrouw als moeder. 

Gelijkertijd klonk ook vanuit de intellectuele bovenlaag van de katholieken, net als aan het einde van de jaren dertig, verzet door tegen de strikte hiërarchie binnen de Katholieke Kerk. 

Er was (wederom) sprake van een streven naar democratisering. Deze aanzet tot democratisering gegeven in het midden van de jaren vijftig, kwam in de jaren zestig tot volle wasdom. 

[Blz 113]

Dankzij de economische groei en welvaart vervaagden de klassenverschillen. Hierbij had de jeugd een zekere voortrekkersrol. Hoewel er geen sprake was van een eenduidige jeugdbeweging werd duidelijk dat jongeren ruimte voor zichzelf gingen opeisen, los van het juk van, onder andere, de Katholieke Kerk. Maar ook vanuit andere progressieve katholieke kaders werd aangedrongen op democratisering van de kerkelijke hiërarchie en liberalisering van de katholieke zedenleer. 

Onderwerp van discussie in het bijzonder was de verplichting tot het celibaat. Maar ook de homoseksuele geaardheid, ook die van geestelijken werd bespreekbaar gemaakt. Vanuit de leiding van de Katholieke Nederlandse Kerkprovincie toonde men zich ontvankelijk voor de maatschappelijke wens tot vernieuwing. In het bijzonder het Nederlands episcopaat toonde destijds een progressieve houding, wat overigens zeer tegen de zin was van het Vaticaan.

Deze opstelling van het Nederlands episcopaat wekte verwachtingen ten aanzien van de opheffing van het celibaat, maar ook ten aanzien van verdere bijstelling van de als te strikt ervaren katholieke zedenleer. In het bijzonder wat betreft het kerkelijk verbod op het gebruik van anticonceptiva. 

Eén van de hoogtepunten van deze, zoals later zal blijken kortstondige, kerkelijke liberalisering was de destijds door bisschop Bekkers van Den Bosch op televisie gedane uitlating dat het aan de gelovigen zelf was zich te verantwoorden voor het gebruik van de anticonceptiepil (sindsdien te boek komen te staan als ‘het lekkers van Bekkers’). Maar ook ten aanzien van de afschaffing van het celibaat was men hoopvol gestemd. 

In het begin van de jaren zestig leek het er even op dat het dan toch zou gaan gebeuren, maar die hoop ging al snel in rook op door tegengestelde berichten vanuit het Vaticaan. Dat gaf aanleiding tot een stijgend aantal uittredingen van priesters en verdere terugloop van het aantal aanmeldingen op de seminaries.

Ondanks deze liberalisering van het denken was er ook nu geen aandacht voor seksueel misbruik van minderjarigen, niet op wereldlijk en niet op kerkelijk niveau. Wederom zijn er aanwijzingen dat men daarvan destijds wel op de hoogte is geweest. 

Zo werd bijvoorbeeld door het departement van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen een onderzoek geïnitieerd naar de ontzeggingen van de onderwijsbevoegdheid naar aanleiding van een strafrechtelijke veroordeling wegens seksueel misbruik. Onder de daders bevond zich ook een substantieel aantal geestelijken. 

Vanuit de Katholieke Kerk werd de vertrouwde politiek van toedekken en verzwijgen echter voortgezet. Afdoening van schandalen vond plaats in eigen huis, buiten (officieel) medeweten van de strafrechtelijke autoriteiten. 

Wel was er, net als in de voorgaande jaren aandacht voor geestelijken in psychische nood, waaronder ook het aangaan van ‘verkeerde vriendschappen’ op de seminaries werd begrepen. Dat uit deze ‘geestelijke nood’ mogelijk seksuele aberraties met minderjarigen konden voortvloeien werd (wederom) niet onderkend.

De periode 1960-1970 en de periode 1970-1985

Deze jaren geven wat betreft de strafbare seksualiteit een politieke slingerbeweging te zien van laisser faire tot repressie. Op kerkelijk niveau zetten de veranderingen die zich in eerder jaren hadden ingezet door, er was sprake van toenemende secularisatie, maar ook van een zoeken naar andere, minder formele vormen van spiritualiteit. 

De grootste veranderingen deden zich echter voor op wereldlijk niveau. Dankzij de vrije beschikbaarheid van de anticonceptiepil, en het praktisch negeren van het kerkelijk verbod op het gebruik daarvan, was er geen functionele noodzaak meer tot (zelf)beheersing. Anders dan veelal gedacht was destijds echter geen sprake van een collectief celebreren van seksuele lusten. Integendeel, die praktijken beperkten zich tot de progressieve bovenlaag. In de overige delen van de bevolking bleef het wat betreft de seksualiteit veelal bij het oude.

[Blz 114]

Als gevolg van toegenomen welvaart en vervagende klassenverschillen emancipeerde het individu tot mondig en machtskritisch burger, wat gevolgen had voor het denken over de strafbare seksualiteit. Gepleit werd voor een terughoudender opstelling van de overheid op dit terrein: de seksuele sfeer behoorde toe aan de burger, slechts waar sprake was van onvrijwilligheid was plaats voor strafrechtelijk ingrijpen. 

Deze liberalisering in het denken over seksualiteit bood enige ruimte voor een herwaardering van seksuele contacten met minderjarigen, maar ook hier gold dat deze gedachte niet alom werd gedeeld. Toch werd het taboe op pedosekualiteit wat afgezwakt, waarbij de NVSH fungeerde als spreekbuis.

Van ‘echte liefde’ was echter geen sprake, deze ogenschijnlijke tolerantie jegens pedoseksualiteit gold namelijk niet de praxis daarvan. Die bleef bezwaren oproepen, ook binnen de NVSH. Op de achtergrond speelde de vrees dat het openlijk betonen van sympathie aan de pedoseksuele beweging zou leiden tot hernieuwde stigmatisering van homoseksuelen.

Intussen had men, in het licht van het maatschappelijk streven naar herijking van de zedenwetgeving de adviescommissie Herziening zedelijkheidswetgeving ingesteld (commissie-Melai; 1970). Deze commissie zou in de loop der jaren vier rapporten uitbrengen.

Slechts het laatste rapport (1980) is hier relevant, dat ging namelijk over de strafbaarstelling van de zware zedenmisdrijven waaronder begrepen seksueel misbruik van minderjarigen.

Het lot was de commissie-Melai destijds niet gunstig gezind, in de jaren waarin zij functioneerde vond niet alleen een omslag plaats in het denken over de strafbare seksualiteit, maar vonden ook meerdere kabinetswisselingen plaats. Dit leidde er uiteindelijk toe dat het eindrapport, waarin werd voorgesteld te komen tot een integrale herziening van de zedenwetgeving, terzijde werd gelegd. 

In later jaren, en na enkele nieuwe kabinetswisselingen zou blijken dat de dan ingevoerde wijzigingen van de zedenwetgeving in lijn lagen met de voorstellen van de commissie-Melai.

Tussentijds kon men het op politiek niveau maar niet eens worden over wat er moest gebeuren met de zedenwetgeving. Factor van belang hierbij was de inmiddels zeer actieve en invloedrijke vrouwenbeweging, die aan het begin van de jaren tachtig de strijd had aangebonden tegen seksueel geweld. 

Na een eerste periode van ervaren vrijheid hadden vrouwen de keerzijden van de seksuele vrijheid ontdekt, namelijk de daarin gelegen idee van seksuele beschikbaarheid van de vrouw en de onveranderde onderliggende machtspatronen tussen mannen en vrouwen. Vanuit de vrouwenbeweging werd herziening van de patriarchale grondslag van de zedenwetgeving geëist. Aan deze eis werd in eerste instantie niet tegemoetgekomen, besloten werd te zullen volstaan met een partiële wetswijziging.

De verontwaardiging vanuit de vrouwenbeweging is groot.

Aan het begin van de jaren tachtig won de eis van de vrouwenbeweging echter weer aan kracht, toen slachtoffers van seksueel misbruik van minderjarigen binnen het gezin met hun ervaringen naar buiten traden

Beide bewegingen, hoewel onderscheiden van aard, sloegen de handen ineen, wat resulteerde in een dwingend appel op de overheid om te komen met een uitgewerkt beleid inzake bescherming tegen seksueel geweld van vrouwen en meisjes. Ontkenning dat seksueel geweld, in het bijzonder seksueel misbruik van minderjarigen binnen afhankelijkheidsrelaties een omvangrijk en zwaarwegend maatschappelijk probleem vormde, was niet meer mogelijk.

Ook nu drong het besef dat ook binnen de Katholieke Kerk systematisch sprake was van seksueel misbruik van minderjarigen niet door. Hoewel het voorkomen daarvan binnen ‘kleine kring’ inmiddels al wel breder bekend was, was dit nog niet doorgedrongen tot de bredere kring van de katholieke gelovigen, en nog minder tot de samenleving als geheel.

De maatschappelijke en politieke aandacht was vooralsnog gericht op wereldlijk seksueel misbruik, in het bijzonder binnen het gezin. Er was destijds gewoonweg onvoldoende aanleiding voor de wereldlijke autoriteiten om aan de deur van de Katholieke Kerk te kloppen en navraag te doen naar seksueel misbruik. 

[Blz 115]

Of, en in welke mate men op wereldlijk niveau toentertijd vermoedens had is niet vast te stellen. Vermoedelijk heeft ook de scheiding tussen staat en (Katholieke) Kerk erbij in de weg gestaan om vanuit wereldlijk niveau navraag te doen en zo nodig te interveniëren. 

Ook het gegeven dat slachtoffers van seksueel misbruik zich in de regel melden bij de kerkelijke autoriteiten, en het feit dat het veelal ging om feiten die zich in het verleden hadden afgespeeld, droeg eraan bij dat de strafrechtelijke autoriteiten geen zicht hadden op het seksueel misbruik van minderjarigen binnen de Katholieke Kerk. 

Later zou blijken dat vanuit de Katholieke Kerk afkoopregelingen zijn getroffen in deze (en voorgaande) jaren, teneinde te voorkomen dat ruchtbaarheid zou worden gegeven aan seksueel misbruik binnen de Katholieke Kerk. 

Dat men zich binnen de Katholieke Kerk op centraal niveau destijds bewust was, althans vermoedens had over de aard en omvang van de problematiek, blijkt ook uit het feit dat toentertijd gesproken is over een landelijk gecoördineerd optreden in zaken betreffende seksueel misbruik binnen de Katholieke Kerk. 

Besloten echter werd de bestaande strategie te handhaven: problemen dienden decentraal, met inachtneming van de autonomie van de bisdommen en congregaties te worden opgelost.

Intussen kon de roep om strafrechtelijk ingrijpen tegen seksueel misbruik van minderjarigen niemand meer ontgaan. Sinds het midden van de jaren tachtig vormt de bestrijding van seksueel misbruik van minderjarigen een speerpunt binnen de criminele politiek. 

Op nationaal én op internationaal niveau. Op nationaal niveau leidde dat, behalve tot het opzetten van een breed overheidsbeleid, tot aanpassingen van de zedenwetgeving. 

Hoewel deze wijzigingen meer omvatten dan de strafbaarstelling van seksueel misbruik van minderjarigen, hebben zij alle één ding gemeen: ze vinden hun grondslag allemaal in het recht op fysieke en psychische integriteit, met de daaraan verbonden verplichting vanuit publiekrechtelijk niveau, in het bijzonder vanuit de strafrechtspleging, bescherming te bieden tegen allerhande vormen van seksueel geweld.

Uitgangspunt daarbij is de consensualiteit van seksuele contacten: seksuele contacten die worden afgedwongen via (bedreiging met) geweld of andersoortige manipulaties voortvloeiende uit onderliggende machtsverschillen tussen pleger en slachtoffer zijn uit den boze. Die gedachte wordt sinds jaar en dag uitgedragen in de vorm van strafbepalingen, verdragen, richtlijnen en jurisprudentie.

Deze veranderingen in het wereldlijk denken over strafbare seksualiteit leidde[n] echter vooralsnog niet tot een verandering in de opstelling van de Katholieke Kerk

Feitelijk heeft men tot op het laatst, toen duidelijk werd dat de problematiek niet langer kon worden ontkend, gekozen voor een strategie van verzwijging en toedekking. Pas toen duidelijk werd dat de problemen niet langer weggemoffeld konden worden, werd vanuit de Katholieke Kerk gerichte actie ondernomen. 

Maar ook toen werd vanuit de Katholieke Kerk verzuimd om de volle verantwoordelijkheid te nemen voor het seksueel misbruik dat zich binnen haar muren had afgespeeld. Getracht werd het seksueel misbruik, althans het slachtofferschap daarvan te ‘herdefiniëren’ ten einde dit te onderscheiden van ‘echt’ seksueel misbruik. 

Daartoe werd een institutionele claim op slachtofferschap geponeerd vanuit de Katholieke Kerk: niet alleen de ‘echte’ slachtoffers, maar ook de andere gelovigen en niet in het minst de Katholieke Kerk als institutie zelf waren ‘slachtoffer’ geworden. Hun ‘geloof’ in de naleving van de christelijke waarden was immers geschonden door hen aan wie het ‘beheer’ daarvan was toevertrouwd. De maatregelen die werden genomen pasten bovendien in de politiek van beperking van imagoschade en de daaraan verbonden strategie om voor de Katholieke Kerk schadelijke kwesties in eigen huis af te handelen. 

Om de stroom aan meldingen op te kunnen vangen werd daarom in 2005 de kerkelijke organisatie Hulp & Recht ingesteld. 

[Blz 116]

In 2010 bleek dat dit niet voldoende was om de aanzwellende stroom van klachten te stoppen en adequaat af te handelen. De leiding van de Katholieke Nederlandse Kerkprovincie zag zich genoodzaakt tot het gelasten van een extern onderzoek, wat in mei 2010 leidde tot de instelling van de Commissie van onderzoek naar seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Nederlandse Kerkprovincie (de Onderzoekscommissie).