Start ] Omhoog  ]

Hoe vaak komen ongegronde vermoedens van seksueel kindermisbruik voor: een Finse bevolkingsstudie?

Kris Vanhoeck; ITER Nieuwsbrief Vol 8, nr 1, winter 2019  

Inleiding

Een goede kennis van de omvang van het probleem is belangrijk om tot een onderbouwd beleid rond seksueel kindermisbruik (SKM) te kunnen komen. Hoewel de wetenschappelijke kennis over de prevalentiecijfers van SKM toeneemt, zijn er weinig grondige studies over het voorkomen van valse beschuldigingen van SKM. Toch zijn deze cijfers ook van belang om een juiste kijk op het probleem te krijgen.

Sommige auteurs vermoeden dat valse of ongefundeerde beschuldigingen veel voorkomen en dat forensische experten een groot aantal valse beschuldigingen voor waar nemen, dat wil zeggen vals positieve fouten maken (zie Herman, 2009). Hoe groter het percentage vals positieve fouten, des te groter is het risico dat kinderen en verdachten ten onrechte worden beschouwd als SKM-slachtoffers en -daders. Voor alle betrokkenen kunnen de gevolgen van onterechte verdachtmakingen zeer schadelijk zijn.

Vraagstelling

Ongegronde beschuldigingen zijn situaties waarin volwassenen (bijvoorbeeld ouders, leerkrachten of autoriteiten) onterecht vermoeden dat een kind seksueel is misbruikt. Ongegronde vermoedens kunnen om verschillende redenen ontstaan.

  • Bepaald gedrag van een kind kan verkeerd geïnterpreteerd worden of
  • volwassenen kunnen suggestieve vragen stellen aan kinderen die onbedoeld leiden tot valse aantijgingen (zie bijv. Korkman, Juusola & Santtila, 2014).
  • Een ouder kan een kind ook opzettelijk manipuleren om het te doen beweren dat het seksueel is misbruikt. Geldelijk gewin kan hiervoor de reden zijn of een poging om bijvoorbeeld de voogdijregelingen te beïnvloeden. 80% van de professionals die met SKM-beschuldigingen werken, hebben in een casus al de indruk gehad dat een kind door iemand tot valse beschuldigingen was gebracht (Faller, 2007). In een meerderheid van de gevallen ging het om voogdijconflicten.
  • Ten slotte kunnen kinderen zelf per ongeluk een verklaring afleggen die daarna verkeerdelijk als een SKM-beschuldiging wordt geïnterpreteerd (Hershkowitz, 2001).
    • Julia Korkman, Jan Antfolk, Monica Fagerlund, & Pekka Santtila (2018). The Prevalence of Unfounded Suspicions of Child Sexual Abuse in Finland

      Korkman, Antfolk, Fagerlund en Santtila (2018) hebben geen enkele studie gevonden die gebaseerd is op informatie die direct van de betrokkenen afkomstig is. De auteurs konden gegevens uit twee verschillende populatiegestuurde transversale steekproeven in Finland gebruiken.

      • In Studie 1 analyseerden ze de antwoorden van een representatieve steekproef van adolescenten (12- en 15-jarigen).
      • In Studie 2 hebben ze een steekproef van volwassenen geanalyseerd die retrospectief informatie verschaften.

      De auteurs hebben voor een gemengde steekproef gekozen (12-15 jarigen én volwassenen) om verschillende redenen. Kinderen en adolescenten staan dichter bij de gebeurtenissen maar kunnen misbruik anders aanvoelen en definiëren dan volwassenen (zie bv. Malloy, Brubacher & Lamb, 2011). Volwassenen kunnen de gebeurtenissen terugblikkend misschien juister interpreteren. In beide studies werd betrokkenen bij situaties van valse beschuldigingen door volwassenen, naar hun beleving gevraagd.

      Studie 1:
      De adolescentengroep bestaat uit 11.364 antwoorden op de Finse Child Victim Survey (FCVS) van 2013 (Fagerlund, Peltola, Kääriäinen, Ellonen, & Sariola, 2014). Delen van de vragenlijst, inclusief vragen over seksueel misbruik, werden al voor het eerst gesteld in 2008 en 1988. De vragenlijst werd ingevuld in klasverband (zesde tot negende studiejaar) tijdens een les die werd gegeven door een leraar die opleiding had gekregen over het aanbieden van de vragenlijst.

      Ook wie antwoordde dat zijn seksueel ervaring met een volwassene geen misbruik was, werd in de respondentengroep behouden. Plegers slagen er immers vaak in om het vertrouwen van hun slachtoffer te winnen, zodat ze pas veel later als volwassene het misbruikkarakter ervan begrijpen.

      Naar valse beschuldigingen werd als volgt gepeild : "Heeft een volwassene ooit vermoed dat je seksueel werd misbruikt, ook al is dit nooit gebeurd ?" De antwoordopties waren :

      • "Ja, maar de zaak werd opgehelderd en niet gerapporteerd aan de autoriteiten” -
      • “ Ja, en de zaak is onderzocht door de autoriteiten” en
      • "Nee”.

      Op een andere vraag hadden de deelnemers al kunnen aangeven of er ooit misbruik bij een maatschappelijk werker of bij de politie was gemeld. Al deze reacties werden samengenomen om de proporties van gegronde en ongegronde beschuldigingen te identificeren die (voor zover bekend bij de jongere) aan de autoriteiten werden gemeld.

      Van alle deelnemers rapporteerde 2,4% ‘seksuele ervaringen met een persoon die 5 jaar of meer ouder is’. Bij meisjes (3,6%) lag dat iets hoger dan bij jongens. Slechts 13,3% van alle gerapporteerde misbruiksituaties werd gemeld aan de autoriteiten. Dit percentage was voor alle slachtofferleeftijden hetzelfde.

      Ongegronde SKM-vermoedens (“situaties waarin een volwassene vermoedt dat een kind seksueel contact had, maar dit volgens de respondent niet het geval was”) werd door 1,5% van de respondenten gemeld. Dit omvat zowel gerapporteerde als niet-niet-gerapporteerde situaties. Het aandeel ongegronde vermoedens was hoger onder 15-jarigen (2,6%) in vergelijking met 12-jarigen (0,7%). Het kwam vaker voor bij bij meisjes (2,5%) dan bij jongens (0,6%).

      Van alle ongegronde vermoedens had 14,5% volgens de respondenten geleid tot een onderzoek door de autoriteiten. Van alle situaties die aan de autoriteiten werden gemeld, was volgens de respondenten 41% ongegrond.

      Studie 2:
      Informatie van 2.484 personen (gemiddelde leeftijd 33,8 jaar, SD 9,2) over sekse- en familiegerelateerde onderwerpen uit een steekproef van Finse mannen en vrouwen konden worden gebruikt (KFinn-Kin studie, zie Albrecht, et al., 2014). 8,9% rapporteerde SKM wat beduidend hoger is dan in de adolescentensteekproef (2,4%). Net als bij de adolescenten was er meer SKM bij vrouwelijke respondenten (10,4%) dan bij mannen (5,9%). In 13,9% van de gevallen was het SKM gemeld bij de autoriteiten. Van de 2219 personen die geen SKM ervaren hadden, meldden 44 (1,9%) dat iemand bij hen (ten onrechte) misbruik had vermoed.

      De belangrijkste bevinding van de huidige studie is de prevalentieschatting van ongegronde vermoedens van SKM. Ongefundeerde verdenkingen van SKM kwamen bij 1,5% van de adolescente voor en bij 1,9% van de volwassenen. De prevalentie van ongegronde vermoedens die aan de autoriteiten werden gemeld, was 0,2% bij de adolescenten en ook 0,2% bij de volwassenen. Aangezien de vragen in de twee steekproeven niet identiek waren, kan hieruit niet wetenschappelijk geconcludeerd worden of ongegronde beschuldigingen meer of minder voorkomen dan vroeger.

      Wat leren we hieruit?

      In beide steekproeven rapporteerden meerdere deelnemers dat in hun verleden een volwassene onterecht misbruikvermoedens had geuit. Verschillende ongegronde vermoedens zijn ook bij de autoriteiten gemeld geweest. Helaas zijn er geen gegevens bekend over het gevolg dat eraan gegeven werd. Hoewel alle studies uitwijzen dat SKM in Finland en elders afneemt (bv. Fagerlund et al. 2014) zijn de percentages ongegronde SKM-vermoedens bij de adolescenten (actueel) en de volwassenen (verleden) gelijk. Dit kan wijzen op een relatieve stijging van het aantal ongegronde vermoedens, waardoor er mogelijk meer bij de autoriteiten terechtkomen. Het percentage dat gemeld werd, was inderdaad hoger bij de adolescenten. Dit is waarschijnlijk een gevolg van de toegenomen aandacht voor SKM. Het is positief dat vermoedens gemeld worden, aangezien dit de kans vergroot om daadwerkelijk misbruik te stoppen waar nodig. Maar het stelt hoge eisen aan politiemensen om de ongegronde beschuldigingen correct te identificeren.

      Grattagliano en collega’s (2013) vonden bijvoorbeeld dat 30% van misbruikbeschuldigingen die in een echtscheidingssituatie worden geuit, ongegrond zijn. Daarom pleiten Korkman en collega’s (2018) ervoor dat ook de omstandigheden worden onderzocht waarin ongegronde vermoedens ontstaan :

      • welke gebeurtenissen leiden tot ongegronde vermoedens>
      • wie zijn de verdachte volwassenen? en
      • wat gebeurt er verder met deze vermoedens?

      In een Amerikaanse overzichtsstudie worden valse meldingspercentages tussen 2 en 10 percent gevonden (Lisak, e.a., 2011). Deze auteurs bespreken ook de richtlijnen die de FBI en de IACP (International Association of Chiefs of Police) hebben opgesteld om valse meldingen tijdig te detecteren:

      • onvoldoende bewijskracht om verder te kunnen vervolgen -
      • laattijdige aangifte -
      • niet meewerken van slachtoffers -
      • tegenstrijdigheden in slachtofferverklaringen.

      Na bespreking van deze richtlijnen pleiten de auteur ervoor dat de kennis van seksueel geweld en SKM bij politiemensen en andere dienstverleners moet verbeteren. Er moeten goede definities komen, een visie op preventief beleid en betere procedures hoe valse meldingen kunnen gedetecteerd worden.

      Gevolgen voor therapie

      Deze bevindingen uit Finland kunnen internationaal niet zonder meer worden gegeneraliseerd. Wetgeving, sociaal beleid en maatschappelijke discussies over SKM verschillen aanzienlijk van land tot land. Zo krijgen bijvoorbeeld alle schoolkinderen in Finland op jonge leeftijd seksuelegezondheidslessen. Het bevragen van de kinderen en adolescenten zelf wordt belemmerd door het feit dat kinderen niet altijd op de hoogte zijn van SKM-vermoedens van volwassenen en of deze dit al dan niet melden. In een klein aantal gevallen (n = 8) rapporteerde een respondent zowel SKM-ervaringen als ongefundeerde vermoedens door een volwassene. De realiteit is complex en het is die complexiteit die we in de forensische praktijk ontmoeten.

      Bij de volwassen respondenten kunnen geheugenproblemen het ophalen van oude herinnering belemmeren. Anderzijds hebben zij een volwassen visie op SKM en SKM-vermoedens. Dat zou het hoger aandeel van mishandeling kunnen verklaren dat is gemeld in Studie 2. Er is dus in ieder geval een grote groep misbruikfeiten die niet gemeld worden en er is een groep vermoedens die onterecht gemeld worden. Hulpverlening moet zich daarop instellen. Het verkennen van de context is dus altijd belangrijk: wie beschuldigt - hoe liggen de relaties - wat is het belang van ieder en wat is in het belang van herstel. Een neutrale vraag om van te vertrekken kan dan zijn: wat heeft wie over u gezegd (alsof het bijna over een ‘derde persoon’ gaat)? Soms is het vertrekpunt niet meer dan dat, maar is het toch betekenisvol voor iedereen dat hierover gesproken kan worden.

      Conclusie

      De huidige studie brengt de eerste schattingen van ongegronde SKM-beschuldigingen in kaart. Er blijkt relatief vaak voor te komen dat iemand onterecht vermoedt dat een kind het slachtoffer van misbruik is, en dat dergelijke vermoedens aan de autoriteiten gemeld worden. Naarmate de maatschappij zich meer bewust werd van SKM, verlaagt de drempel voor het melden van vermoedens. Dit is een positieve zaak voor het beschermen van zoveel mogelijk SKM-slachtoffers en voor het mogelijk maken dat daders vervolgd worden. Maar de keerzijde is dat dat dit ook kan leiden tot meer ongegronde vermoedens. Meer onderzoek is nodig om ongefundeerde versus gefundeerde aantijgingen te scheiden en ook om het verschil te maken dus bewust gefabriceerde onterechte vermoedens en goed bedoelde maar verkeerde inschattingen. Onterecht beschuldigd worden is een heel ingrijpende gebeurtenis. Hulpverlening moet hiermee leren omgaan.

      Literatuur

      Albrecht, A., J. Antfolk, D. Lieberman, C. Harju, K. Sandnabba & P. Santtila (2014). The Finn-Kin study: Data on kin-recognition, altruism, and inbreeding aversion from a Finnish population-based sample. Journal of Social Sciences Research, 6 (1): 1-12.

      Fagerlund, M., M. Peltola, J. Kääriäinen, N. Ellonen & H. Sariola, H. (2014). Experiences of violence among children and adolescents in Finland. A representative survey. https://www.theseus.fi/bitstream/handle/10024/86726/Raportteja_110_lapsiuhritutkimus_web.pdf

      Faller, K. C. (2007). Coaching children about sexual abuse: A pilot study of professionals? perceptions. Child Abuse & Neglect, 31(9): 947-959.

      Grattagliano, I., G. Di Vella, C.P. Campobasso, G. Corbi, A. Lisi, V. Stallone & R. Catanesi (2013). False Accusations of Sexual Abuse as a Means of Revenge in Couples Disputes. In 65th Anniversary Meeting (Vol. 19, No. I33, pp. 489-490). The American Academy of Forensic Sciences.

      Herman, S. (2009). Forensic Child Sexual Abuse Evaluations: Accuracy, Ethics, and Admissibility. In Kuehnle, K. & Connell, M. (Eds.) The Evaluation of Child Sexual Abuse Allegations. A Comprehensive Guide to Assessment and Testimony. Hoboken (NJ): John Wiley & Sons, Inc.

      Hershkowitz, I. (2001). A case study of child sexual false allegation. Child Abuse and Neglect, 25: 1397-1411.

      Korkman, J., J. Antfolk, M. Fagerlund & P. Santtila (2018). The prevalence of unfounded suspicions of child sexual abuse in Finland. Nordic Psychology, 70(1): 1-12.

      Korkman, J., A. Juusola & P. Santtila (2014). Who made the disclosure ? Recorded conversations between children and caretakers. Psychology, Crime and Law, 20(10): 994-1004.

      Lisak, D., L. Gardinier, S.C. Nicksa & A.M. Cote (2010). False allegations of sexual assault: An analysis of ten years of reported cases. Violence Against Women, 16: 1318-1334.
      Malloy, L., S. Brubacher & M.E. Lamb (2011). Children discuss disclosure recipients in forensic interviews. Child Maltreatment, 18(4): 245-251.

      Start ] Omhoog  ]